ECLI:NL:CRVB:2014:1955
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Wubo-uitkering wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellant, geboren in 1936, vroeg in mei 2012 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een Wubo-uitkering op basis van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan oorlogservaringen in Nederlands-Indië. Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.
De Raad toetste of appellant direct betrokken was bij oorlogsgeweld zoals omschreven in artikel 2 van Pro de Wubo. Appellant stelde dat zijn vader mishandeld werd door Japanners en dat hijzelf getuige was van mishandelingen, ondersteund door een zus. Verweerder vond deze verklaringen onvoldoende bevestigd, mede vanwege eerdere tegenstrijdige verklaringen van de zus en het ontbreken van meldingen in relatiedossiers.
Verder werd de vlucht van het gezin en het huisarrest tijdens de Japanse bezetting beoordeeld, maar deze omstandigheden voldeden niet aan de criteria voor oorlogsgeweld onder de Wubo. Ook was niet aangetoond dat appellant geïnterneerd was tijdens de Bersiap-periode. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wubo-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van oorlogsgeweld.