ECLI:NL:CRVB:2014:1985
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting door verblijf in België
Appellante ontving bijstand op basis van een opgegeven woonadres in Nederland. Uit onderzoek bleek dat zij mogelijk in België verbleef en dat haar huurcontract in Nederland was opgezegd. Het college schortte de bijstand op en vroeg om aanvullende informatie, die appellante niet verstrekte. Zij ontkende de bevindingen en stelde dat mogelijk misbruik van haar identiteit was gemaakt, maar ondersteunde dit niet met bewijs of aangifte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellante niet op het Nederlandse adres woonde en dat appellante onvoldoende feiten had aangedragen om dit te betwisten. Door geen duidelijkheid te verschaffen over haar verblijfplaats, schond zij de inlichtingenverplichting.
De Raad stelde vast dat schending van deze verplichting een rechtsgrond vormt voor intrekking van bijstand, omdat het college daardoor niet kan vaststellen of betrokkene recht op bijstand heeft. Het college had daarom terecht de bijstand ingetrokken per 1 november 2011. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.