Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:1987

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2014
Publicatiedatum
12 juni 2014
Zaaknummer
13-958 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeende Engelse uitkering en inkomsten onvoldoende gemotiveerd

Appellante ontving bijstand volgens de WWB en een inkomensvoorziening ingevolge de Wet investeren in jongeren. Naar aanleiding van een melding van sociale recherche dat zij in Engeland een uitkering zou hebben ontvangen, is een onderzoek ingesteld. Het IBF rapporteerde dat appellante een National Insurance Number had, ESA had ontvangen, een Jobseekers Allowance had aangevraagd, een dienstverband had en inkomsten had genoten. Appellante ontkende loon of uitkering te hebben ontvangen en kon geen bankafschriften overleggen.

Het college trok de bijstand over de periode van 11 september 2009 tot 28 april 2010 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college onvoldoende onderbouwing heeft geleverd voor het besluit, omdat het rapport van het IBF niet de achterliggende stukken bevat en er geen bewijs is dat appellante daadwerkelijk ESA heeft ontvangen of loon heeft genoten. De bankafschriften konden niet worden overgelegd omdat de rekening slapend was en gesloten.

De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, herroept de eerdere besluiten en veroordeelt het college in de kosten van appellante. Tevens wordt het betaalde griffierecht vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd.

Uitspraak

13/958 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
28 januari 2013, 12/849 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te Engeland (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Visscher, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2014. Namens appellante is
mr. Visscher verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. E.P. Ebbinge.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft over de periode van 18 maart 2009 tot en met 30 juni 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande ontvangen. Aansluitend ontving zij een inkomensvoorziening ingevolge de Wet investeren in jongeren.
1.2.
Naar aanleiding van de melding van de sociale recherche van de gemeente Delft dat appellante onder meer in de tweede helft van 2009 in Engeland een uitkering heeft ontvangen, heeft de sociale recherche van de gemeente Amersfoort (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek gedaan, het Internationaal Bureau Fraude-informatie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (IBF) verzocht een rechtmatigheidsonderzoek in te stellen in Groot-Brittannië en appellante op 20 december 2010 verhoord.
1.3.
Op 24 november 2010 heeft het IBF aan de sociale recherche een rapport van bevindingen uitgebracht, waarin de ontvangen informatie van het Department for Work and Pensions (Department) en de Engelse Belastingdienst is opgenomen. Daarin is onder meer gerapporteerd dat aan appellante op 11 september 2009 een National Insurance Number is toegekend, dat zij in de periode van 25 september 2009 tot 9 december 2009 Employment
& Support Allowance (ESA) heeft ontvangen, op 10 december 2009 een Jobseekers Allowance heeft aangevraagd, vanaf 10 december 2009 een dienstverband heeft bij Zum Ltd en gedurende de belastingjaren 09/10 £ 1.500,- aan inkomsten heeft ontvangen. Tijdens haar verhoor heeft appellante erkend dat zij een Jobseekers Allowance heeft aangevraagd, maar ontkend dat zij in Engeland enige uitkering of loon heeft ontvangen. Naar aanleiding van de verklaring van appellante dat zij een bankrekening in Engeland had geopend, heeft het college haar in de gelegenheid gesteld om bankafschriften van die rekening over te leggen. Onder verwijzing naar twee brieven van Barclays Bank PLC (Barclays) heeft appellante het college bericht daartoe niet in staat te zijn.
1.4.
De onderzoeksresultaten en het ontbreken van de afschriften van de Engelse bankrekening van appellante zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
18 augustus 2011 de bijstand van appellante over de periode van 11 september 2009 tot
28 april 2010 (periode in geding) in te trekken. Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode in geding tot een bedrag van
€ 6.879,20 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 1 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 18 augustus 2011 en 25 augustus 2011 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.
4.2.
Tussen partijen is primair in geschil of het bestreden besluit berust op een deugdelijke motivering. Ter zitting heeft het college verklaard dat aan de intrekking van de bijstand over de periode in geding alleen nog ten grondslag ligt dat appellante van 25 september 2009 tot
9 december 2009 ESA heeft ontvangen, vanaf 10 december 2009 een dienstverband heeft bij genoemde werkgever, dat zij in de belastingjaren 09/10 £ 1.500,- aan inkomsten heeft ontvangen en dat appellante geen afschriften van haar Engelse bankrekening heeft overgelegd.
4.3.1.
Het standpunt van het college over de inkomsten van appellante en haar dienstverband in Engeland berust uitsluitend op het rapport van het IBF. Het college beschikt niet over de achterliggende stukken, omdat het IBF, zoals opgegeven, deze stukken beschouwt als interne communicatie, die overeenkomstig gemaakte afspraken niet aan derden worden verstrekt. Ter bevestiging van de van het Department en de Engelse Belastingdienst ontvangen informatie heeft het IBF een ondertekende witness statement van een Fraud Investigation Support Officer van het Department van 6 augustus 2012 verkregen.
4.3.2.
De opgaven van het Department en de Engelse Belastingdienst, zoals weergegeven in het rapport van bevindingen van het IBF, zijn niet toereikend om daarop een belastend besluit als hier aan de orde te baseren. Door het ontbreken van achterliggende gegevens, zoals over de aanvraag, de toekenning en de uitbetaling van ESA, kan niet zonder meer als vaststaand worden aangenomen dat appellante deze uitkering heeft ontvangen. Daarbij kan in het midden blijven of, zoals het college ter zitting heeft erkend, uit de overgelegde witness statement van
6 augustus 2012 niet enkel blijkt dat appellante in de periode van 25 september 2009 tot
9 december 2009 ESA heeft geclaimd en niet of zij die ook daadwerkelijk heeft ontvangen. Dergelijke achterliggende gegevens ontbreken eveneens voor wat betreft de opgave van de Engelse Belastingdienst over het dienstverband van appellante vanaf 10 december 2009 en dat zij in de belastingjaren 09/10 £ 1.500,- aan inkomsten heeft ontvangen. Zo ontbreken gegevens over de aard van de arbeidsrelatie en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden, waaronder het loon. Ten aanzien van de gerapporteerde inkomsten van £ 1.500,- ontbreken gegevens over de aard van de inkomsten en de bron waaruit deze afkomstig zijn. De omstandigheid dat de vermeende werkgever met naam en adres in het rapport van het IBF is genoemd met de vermelding dat het bedrijf geregistreerd zou zijn met een vergunning voor het verkopen van alcoholhoudende dranken en het mogelijk een slijterij betreft, is onvoldoende om van appellante te verlangen dat zij met tegenbewijs komt.
4.4.
Uit de beide brieven van Barclays uit juni 2011 kan worden afgeleid dat de betreffende bankrekening van appellante sinds 27 april 2010 is gesloten en dat het niet meer mogelijk is om daarvan afschriften te verstrekken. Volgens opgave van de bank is deze rekening gesloten omdat zij een slapend karakter had. Namens appellante is op basis van informatie van Barclays aangevoerd dat deze bank een rekening als slapend aanmerkt als op die rekening gedurende een periode van een jaar geen mutaties hebben plaatsgevonden. Appellante heeft tijdens haar verhoor verklaard dat zij bij de aanvraag van de bijstand in maart 2009 de Engelse bankrekening niet heeft opgegeven, omdat zij die rekening niet gebruikte en die rekening al lang geblokkeerd is. Gelet op deze, in grote lijnen, overeenkomende opgaven van de bank en appellante bestaat onvoldoende grond om aan te nemen dat appellante de beschikking heeft kunnen krijgen over de gevraagde bankafschriften en dat in de periode in geding sprake was van een bankrekening met daarop een positief saldo of mutaties. Het IBF heeft weliswaar gerapporteerd dat appellante een bij de Engelse Belastingdienst bekende bankrekening zou hebben die mogelijk per mei 2010 afgesloten zou zijn, maar heeft daarover geen gegevens kunnen achterhalen. Volgens het IBF mag het in verband met de privacywetgeving geen gegevens over bankrekeningen opvragen en verstrekken.
4.5.
Uit 4.3.2 en 4.4 volgt dat de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode in geding op een ontoereikende grondslag berusten, zodat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding om de besluiten van 18 augustus 2011 en 25 augustus 2011 te herroepen, nu deze besluiten op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berusten en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.
5.
De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 487,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, dus in totaal € 2.435,-. Daarbij wordt aangetekend dat de beide zaken in bezwaar worden aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht en daarom als één zaak.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 1 maart 2012;
- herroept de besluiten van 18 augustus 2011 en 25 augustus 2011 en bepaalt dat deze
uitspraak in de plaats komt van het besluit van 1 maart 2012;
- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.435,- ;
- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van € 160,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en
J.M.A. van der Kolk-Severeijns als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2014.
(getekend) C. van Viegen
(getekend) S.K. Dekker

HD