ECLI:NL:CRVB:2014:1989

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2014
Publicatiedatum
12 juni 2014
Zaaknummer
13-1172 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWBArt. 18 WWBArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontheffing arbeidsverplichtingen WWB voor maximale periode van 24 maanden

Appellante ontvangt sinds 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en ondervindt beperkingen door psychische klachten. Het college heeft haar op basis van een psychodiagnostisch advies ontheffing verleend van arbeidsverplichtingen tot 1 maart 2014, met een maximale duur van 24 maanden.

De rechtbank Rotterdam heeft het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en het college verplicht om ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen, maar wees een verzoek tot ontheffing voor vijf jaar af, omdat dit niet strookt met het beleid en de doelstellingen van de WWB. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en overweegt dat een ontheffing voor een langere periode dan 24 maanden strijdig is met de uitgangspunten van de WWB.

De Raad acht het advies van Aob Compaz zorgvuldig en voldoende onderbouwd en ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken. Ook het beleid van de gemeente Rotterdam, dat ontheffing beperkt tot 24 maanden, wordt als passend beoordeeld. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ontheffing van arbeidsverplichtingen op grond van de WWB terecht is beperkt tot 24 maanden.

Uitspraak

13/1172 WWB
Datum uitspraak: 10 juni 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
7 februari 2013, 12/3101 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2014. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Çevik.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2. Appellante ontvangt vanaf 19 februari 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante ondervindt beperkingen als gevolg van psychische klachten.
1.3. Op grond van een bij Aob Compaz ingewonnen psychodiagnostisch advies van 21 april 2011 heeft het college bij besluit van 5 maart 2012 appellante tot 1 maart 2014 ontheven van de verplichting om (a) naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, (b) als werkzoekende ingeschreven te staan bij het UWV Werkbedrijf en (c) mee te werken aan voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.
1.4. Bij besluit van 7 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 maart 2012 gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 5 maart 2012 gewijzigd in die zin dat ontheffing wordt verleend van de arbeidsverplichtingen zoals neergelegd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, te weten (a) naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, (b) als werkzoekende ingeschreven te staan bij het UWV Werkbedrijf en (c) algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Uit het advies van Aob Compaz komt naar voren dat voor appellante een traject richting reguliere arbeid niet haalbaar is, maar zij wordt wel in staat geacht om deel te nemen aan een traject gericht op sociale activering. Het advies van Aob Compaz biedt volgens het college geen aanknopingspunten om een ontheffing voor vijf jaar te verlenen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover appellante daarbij niet is ontheven van de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de WWB. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en bepaald dat appellante wordt ontheven van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de WWB opgenomen verplichtingen. Het standpunt van appellante dat door het college ontheffing had moeten worden verleend voor een periode van vijf jaar, is door de rechtbank niet gevolgd. Daartoe heeft de rechtbank verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad en verder overwogen dat het college in overeenstemming heeft gehandeld met het niet onredelijk te achten beleid dat een ontheffing maximaal 24 maanden duurt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van zijn beleid had moeten afwijken is de rechtbank niet gebleken.
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat het college in haar psychische beperkingen aanleiding had moeten zien om haar voor de duur van vijf jaar ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen. Hierbij heeft zij wederom verwezen naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2005, waarbij een machtiging wordt verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling van appellante in een psychiatrisch ziekenhuis tot uiterlijk 15 april 2005.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling waarbij hij voor de toepasselijke bepalingen van de WWB en het beleid van de gemeente Rotterdam verwijst naar de aangevallen uitspraak.
4.2.
Uitsluitend in geschil is of het college appellante voor een langere periode dan 24 maanden, namelijk voor de duur van vijf jaar, ontheffing van de arbeidsverplichtingen had moeten verlenen.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 januari 2008, (ECLI:NL:CRVB:BC1108) is bijstandsverlening erop gericht degenen die daartoe in staat zijn te stimuleren om betaald werk te vinden en dat voor degenen die dat nog niet kunnen, wordt gezocht naar mogelijkheden om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Mede gelet op de in artikel 18, eerste lid, van de WWB neergelegde opdracht aan het college tot afstemming van aan de bijstand verbonden verplichtingen, zal bij heronderzoeken dan ook periodiek bezien moeten worden of, en zo ja in hoeverre, er aanleiding is om tot arbeidsinschakeling strekkende verplichtingen (opnieuw) aan de bijstand te verbinden of om voor een bepaalde periode verleende ontheffing van deze verplichtingen voort te zetten, in te trekken of te wijzigen. Een besluit om deze verplichtingen voorgoed niet aan een belanghebbende op te leggen of om zonder tijdsbepaling ontheffing te verlenen van verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid, zou daarmee in strijd zijn. Daarin ligt besloten dat een ontheffing voor de tijdsduur van vijf jaar, zoals door appellante is beoogd, evenzeer haaks zou staan op de uitgangspunten en de doelstelling van de WWB.
4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het advies van Aob Compaz geen aanknopingspunten biedt voor een langere ontheffing dan de door het college gehanteerde periode van 24 maanden. Appellante heeft geen medische of andere gegevens overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van dat advies of de zorgvuldigheid waarmee dat tot stand is gekomen. De verwijzing naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2005 is in dit verband onvoldoende, reeds omdat die niet ziet op de hier van belang zijnde periode. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college zijn besluit op het advies van Aob Compaz heeft mogen baseren.
4.5.
Evenmin geeft het beleid van de gemeente Rotterdam, waarin is bepaald dat de ontheffing voor maximaal 24 maanden wordt verleend, aanleiding om van het advies af te wijken.
4.6. Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van
C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
10 juni 2014.
(getekend) A.M. Overbeeke
(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

IJ