ECLI:NL:CRVB:2014:2082
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Herziening intrekking en terugvordering bijstand wegens onjuiste transacties en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand in verschillende perioden en werd verdacht van het verrichten van geldtransacties naar het buitenland, die mogelijk invloed hadden op zijn recht op bijstand. Na onderzoek en een proces-verbaal van de politie besloot het college de bijstand over bepaalde maanden in te trekken en terug te vorderen wegens vermeende onrechtmatigheid.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij slachtoffer was van identiteitsfraude en dat niet alle transacties aan hem konden worden toegeschreven. De Raad oordeelde dat de meeste transacties wel aan appellant konden worden toegerekend, behalve één transactie van maart 2009 die niet voldeed aan de vereisten wegens ontbreken van een identiteitsbewijsnummer op het meldingsformulier.
Verder concludeerde de Raad dat de inlichtingenverplichting was geschonden, wat een rechtsgrond vormt voor intrekking van bijstand indien het recht daarop niet kan worden vastgesteld. Voor de maanden augustus 2005 en november 2005 werd echter een uitzondering gemaakt omdat de overgemaakte bedragen klein waren en aannemelijk was dat de vergoeding niet hoger was dan die bedragen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor de genoemde maanden en herzag de bijstand tot de genoemde bedragen. Tevens werd het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen over de terugvordering. Het college werd veroordeeld in de kosten van appellant en het betaalde griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over augustus 2005, november 2005 en maart 2009 wordt vernietigd en de bijstand over augustus en november 2005 wordt herzien tot respectievelijk € 143,- en € 137,-.