Appellant diende op 10 november 2010 een aanvraag in voor een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Het dagelijks bestuur kende het werkleeraanbod toe, maar trok dit later in en weigerde een inkomensvoorziening toe te kennen. Appellant maakte bezwaar en het bezwaar werd gegrond verklaard, waarna een nieuwe beoordeling werd toegezegd.
Appellant stelde het dagelijks bestuur in gebreke wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag en stelde beroep in tegen het uitblijven van een besluit op de inkomensvoorziening. Uiteindelijk werd op 21 juli 2011 een inkomensvoorziening toegekend. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond maar oordeelde dat geen dwangsom was verbeurd omdat het recht op inkomensvoorziening ambtshalve zou worden vastgesteld.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het dagelijks bestuur de beslistermijn voor het bezwaar ruimschoots heeft overschreden en daardoor een dwangsom verschuldigd is. De Raad vernietigt het eerdere oordeel over het ontbreken van een dwangsom en legt het maximaal verschuldigde bedrag van €1.260,- op. Tevens veroordeelt de Raad het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant.