5.De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.Het nadere besluit wordt, omdat daarmee niet volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellanten, met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrokken.
5.2.Vaststaat dat in de periode vanaf 1 juli 2000 gedurende 22 maanden een groot aantal autokentekens op naam van appellanten geregistreerd hebben gestaan, waarvan de meeste voor de duur van enkele maanden. Uit de kentekenregistratie van de RDW blijkt dat de betrokken auto’s merendeels na beëindiging van de registratie op naam van appellanten voor de sloop zijn aangemeld en dat een aantal aan particulieren is verkocht. Onder deze omstandigheden is aannemelijk dat geen sprake is van eigen gebruik, maar van op geld waardeerbare transacties die hebben plaatsgevonden op de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellanten stond geregistreerd. Appellanten hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Dat het om oude auto’s van weinig waarde gaat, betekent niet dat de transacties geen invloed op de verlening van bijstand hebben of kunnen hebben. Verder kunnen ook met het aanbieden van auto’s voor de sloop inkomsten zijn gegenereerd.
5.3.Anders dan appellanten stellen, had het voor hen redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de transacties van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Daarbij is niet alleen van belang welke inkomsten daadwerkelijk zijn ontvangen, maar ook welke inkomsten, gelet op de omvang van de activiteiten, redelijkerwijs hadden kunnen worden bedongen of ontvangen. Door het college hiervan niet op de hoogte te stellen, hebben appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.
5.4.Ter zitting heeft de gemachtigde van appellanten aangevoerd dat appellanten al vele jaren op deze wijze hebben gehandeld, dat hun consulenten daarvan op de hoogte waren en dat zij appellanten hierover nooit hebben aangesproken. Voor zover appellanten hiermee hebben beoogd een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel, treft dit geen doel. Uit het dossier blijkt niet dat appellanten hun handelwijze met betrekking tot de aan- en verkoop van auto’s met hun consulenten hebben besproken, noch dat hiervoor aan appellanten uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toestemming is verleend.
5.5.Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Anders dan appellanten hebben betoogd, is het dan aan de betrokkene, en niet aan het college, om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Appellanten hebben geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd met betrekking tot de autotransacties. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of, en zo ja in welke omvang, appellanten in de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden recht op aanvullende bijstand zouden hebben gehad.
5.6.Gelet op het voorgaande was het college dan ook bevoegd de bijstand over de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden in te trekken. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Anders dan appellanten menen, hoefde het college bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid tot intrekking geen betekenis toe te kennen aan de geschatte waarde van de verhandelde auto’s in de hier in geding zijnde maanden.
5.7.Hieruit vloeit voort dat het college bevoegd was de kosten van de over de transactiemaanden verleende bijstand van appellanten terug te vorderen. Het college voert het beleid dat, behoudens dringende redenen, steeds van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt. In wat appellanten hebben aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen, bestaande in de onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering in financieel of sociaal opzicht, noch bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van het gevoerde beleid zou moeten afwijken.
5.8.Uit 5.2 tot en met 5.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. Het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2012 moet ongegrond worden verklaard.
5.9.Omdat appellanten tegen het nadere besluit geen zelfstandige beroepsgronden naar voren hebben gebracht, behoeft dit besluit verder geen bespreking. Het beroep tegen dat besluit dient dan ook ongegrond te worden verklaard.