ECLI:NL:CRVB:2014:2150
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-naleving oproep en niet-overleggen gevraagde gegevens
Appellant ontving sinds juni 2011 bijstand op grond van de WWB. In maart 2012 ontstond twijfel over zijn woonsituatie, waarna de gemeente Amsterdam een onderzoek instelde. Op 18 april 2012 werd een huisbezoek geprobeerd, maar appellant was niet thuis. Hij werd opgeroepen zich op 19 april 2012 te melden bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) en gevraagde documenten mee te nemen. Appellant verscheen niet en reageerde ook niet op een tweede oproep op 23 april 2012.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloot daarop de bijstand op te schorten en vervolgens in te trekken met ingang van 19 april 2012. Appellant maakte bezwaar en gaf aan dat hij in de betreffende periode bij zijn vriendin verbleef en moeilijk per post bereikbaar was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de hersteltermijn te kort was en dat het college ten onrechte niet had beslist over het opschortingsbesluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het beroep zich uitsluitend richtte op de intrekking en niet op het opschortingsbesluit. De Raad stelde vast dat appellant niet binnen de gestelde termijn op de oproep is verschenen en de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd, terwijl deze gegevens relevant zijn voor de bijstandsverlening. De gegeven termijn was niet onredelijk kort en het college was bevoegd en redelijk in het besluit tot intrekking. Het beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet verschijnen op oproep en niet overleggen van gevraagde gegevens wordt bevestigd.