Appellant ontvangt sinds 2008 bijstand en heeft in 2011 meerdere auto's gekocht en verkocht. Het college ontdekte deze transacties en herzag de bijstand over maart tot mei 2011, waarbij inkomsten uit autohandel in mindering werden gebracht en ten onrechte ontvangen bijstand werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond voor zover het recht op bijstand over maart 2011 moest worden herzien, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant stelde in hoger beroep dat er geen sprake was van inkomsten maar van vermogen dat was omgezet en afgenomen.
De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door de transacties niet te melden. De Raad volgde appellant niet in zijn stelling dat er geen inkomsten waren, omdat de transacties volgens vaste rechtspraak als inkomsten worden aangemerkt. De ontvangen geldbedragen en waardestijgingen werden terecht als inkomen beschouwd. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.