ECLI:NL:CRVB:2014:2321

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2014
Publicatiedatum
8 juli 2014
Zaaknummer
12-5861 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid

Appellant meldde zich in 2005 ziek vanwege psychische klachten en kreeg in 2007 een WGA-uitkering wegens 80% of meer arbeidsongeschiktheid. In 2010 vroeg hij een IVA-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam werd geacht. De rechtbank vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen het in stand laten van deze rechtsgevolgen.

De Raad overwoog dat uit medische rapporten blijkt dat appellant een depressieve stoornis deels in remissie heeft en dat er sprake is van verbetering ten opzichte van eerdere jaren. Hoewel appellant therapie volgt zonder baat, is dat onvoldoende onderbouwd en staat dit haaks op eerdere verklaringen. Tevens heeft appellant in een periode waarin hij als volledig arbeidsongeschikt werd ingedeeld, toch inkomsten uit arbeid gehad, wat wijst op benutbare mogelijkheden.

De Raad concludeert dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is en bevestigt daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank. Een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.

Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een IVA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is.

Uitspraak

12/5861 WIA
Datum uitspraak: 2 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van
21 september 2012, 11/1227 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Igdeli, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Igdeli. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. L.J.M.M. de Poel. Tevens was aanwezig [naam] als tolk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich per 19 januari 2005 ziek gemeld vanwege psychische klachten. Hij is per 17 januari 2007 in aanmerking gebracht voor een WGA-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. In de periode van 1 november 2008 tot en met
31 mei 2009 heeft appellant inkomsten uit arbeid ontvangen. Het uitkeringsbedrag is voor die periode vastgesteld op € 0,00. Daarna heeft er weer volledige uitbetaling plaatsgevonden.
1.2. Op 8 november 2010 heeft appellant een IVA-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft bij besluit van 3 maart 2011 vastgesteld dat appellant onveranderd volledig arbeidsongeschikt is, maar dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is, zodat er geen recht bestaat op een
IVA-uitkering.
1.3. Bij besluit van 15 augustus 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar gericht tegen het besluit van 3 maart 2011 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat er verbetering van de functionele mogelijkheden is te verwachten binnen één of twee jaar zodat appellant terecht een IVA-uitkering is geweigerd. Omdat een afdoende motivering pas in beroep is ingebracht, heeft de rechtbank aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen, waarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand worden gelaten. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van appellant en het door hem betaalde griffierecht.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten onrechte in stand zijn gelaten. Hij is van mening dat er geen zicht is op herstel van de belastbaarheid. Weliswaar heeft appellant een periode gewerkt, maar dat neemt niet weg dat de arbeidsongeschiktheid volledig en duurzaam is. Appellant is al jaren volledig arbeidsongeschikt en er heeft nog geen enkele verbetering plaatsgevonden. Niet duidelijk is waar het Uwv zijn standpunt dat er in de toekomst verbetering is te verwachten op heeft gebaseerd.
4.1.
De Raad overweegt als volgt.
4.2.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het standpunt van het Uwv dat de arbeidsongeschiktheid van appellant niet duurzaam is, juist is. Uit de brieven van psychiater M. Vreeling van 26 juli 2011 van Yulius voor geestelijke gezondheidszorg blijkt dat er een beeld is van een depressieve stoornis deels in remissie en dat, in vergelijking met 2006-2007, appellant beter aanspreekbaar, niet geagiteerd, niet onverzorgd en verward is. Appellant ziet het nut van een behandeling niet in en niet duidelijk is welke medicatie en in welke dosis appellant deze gebruikt. De Raad is van oordeel dat het gegeven dat appellant het nut van therapie niet inziet, niet wil zeggen dat er geen kans is dat therapie het herstel kan bevorderen. Ter zitting van de Raad heeft appellant aangegeven wel therapie te volgen, zowel in Nederland als in Turkije, maar dat hij geen baat heeft bij deze therapieën. Nu dit eerst ter zitting naar voren is gebracht, appellant dit met geen enkel stuk heeft onderbouwd en zijn stelling haaks staat op eerdere verklaringen, kan de Raad hier geen gevolgen aan verbinden. De Raad overweegt voorts dat appellant in januari 2007 is ingedeeld in de categorie Geen Benutbare Mogelijkheden. Appellant heeft van 1 november 2008 tot en met 31 mei 2009 inkomsten uit arbeid genoten. Vastgesteld kan worden dat er in de periode van Geen Benutbare Mogelijkheden een periode is geweest waarin wel benutbare mogelijkheden waren. In samenhang bezien met de gegevens van de brief van Yulius van 26 juli 2011 moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een evidente verbetering.
5.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) D.E.P.M. Bary
JvC