ECLI:NL:CRVB:2014:2350
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, viel uit wegens klachten aan arm, schouder en elleboog en vroeg een WIA-uitkering aan. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast, vooral aan rug, ellebogen, rechterheup, longen en darmen, en een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt was voor eigen werk maar wel voor andere functies, met een arbeidsongeschiktheid van 16,09%.
Het Uwv wees de WIA-uitkering af omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Appellant maakte bezwaar en voerde onder meer psychische klachten en medicijngebruik aan. Een bezwaarverzekeringsarts onderzocht appellant en concludeerde dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat er geen urenbeperking nodig was. De arbeidsdeskundige handhaafde de 16,11% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische informatie geen aanleiding gaf tot twijfel over de belastbaarheid. In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de psychische klachten en medicijngebruik onvoldoende waren meegewogen. De Raad vond echter geen aanwijzingen voor een hogere mate van beperkingen, wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af en bevestigde dat de functies passend waren en het medicijngebruik adequaat was betrokken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant heeft geen recht op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.