Uitspraak
OVERWEGINGEN
7 januari 2014 ongegrond verklaard.
19 maart 2013, aan verzoeker uitgereikt op 27 maart 2013, is verzoeker door de korpschef in kennis gesteld van het feit dat deze de gedragingen van verzoeker kwalificeert als mogelijk gepleegd zeer ernstig plichtsverzuim en van het voornemen hem ter zake te straffen. Verzoeker heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid zich zowel schriftelijk als mondeling te verantwoorden. In overeenstemming met het advies van de CADZ heeft de korpschef op
26 april 2013 het voornemen kenbaar gemaakt verzoeker de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Verzoeker heeft op 16 mei 2013, door de korpschef ontvangen op
6 november 2012 genoemde termijnen heeft gehouden.
zodat niet valt in te zien waarom dit advies zo lang op zich heeft laten wachten. Gelet op dit tijdsverloop moet worden geconcludeerd dat de gedragingen van verzoeker voor de korpschef blijkbaar niet zodanig waren, dat deze een arbeidsrechtelijke dringende reden voor ontslag vormden.