ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9528
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens vermeende dringende ontslagreden niet gerechtvaardigd
Appellant, een politiemedewerker, werd op 24 november 2008 aangehouden en op 27 november 2008 geschorst wegens vermoedens van ernstig plichtsverzuim. Na een disciplinair onderzoek en een strafrechtelijke veroordeling op 12 februari 2009, ontving appellant op 25 juni 2009 een eervol ontslag wegens ongeschiktheid met ingang van 1 oktober 2009.
Het UWV weigerde een WW-uitkering aan appellant toe te kennen omdat het ontslag naar haar oordeel gebaseerd was op een dringende reden, wat verwijtbare werkloosheid impliceert. De rechtbank bevestigde dit standpunt, maar appellant stelde in hoger beroep dat het tijdsverloop en de omstandigheden geen dringende reden vormden en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar verminderde verwijtbaarheid.
De Raad oordeelde dat de werkgever vanaf 18 december 2008, toen appellant zijn schuld erkende, niet onverwijld actie heeft ondernomen en dat het ontslagbesluit pas maanden na de strafrechtelijke veroordeling volgde. Hierdoor ontbrak de subjectieve dringendheid van de ontslagreden. Daarom was er geen sprake van verwijtbare werkloosheid en werd het besluit tot weigering van de WW-uitkering vernietigd. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd omdat het ontslag geen dringende reden met subjectieve dringendheid bevatte.