Appellant was werkzaam als kippenlader en daarna 20 uur per week in WSW-verband. Na ziekmelding wegens rug- en nekklachten beëindigde het UWV het ziekengeld per 16 april 2012. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, uitgaande van de maatstaf arbeid als 40 uur kippenlader. In hoger beroep stelde appellant dat hij vanwege psychische klachten slechts 20 uur WSW-arbeid kon verrichten.
Het UWV stelde dat de juiste maatstaf arbeid een combinatie is van 20 uur kippenlader en 20 uur WSW-arbeid. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat appellant geschikt was voor deze combinatiefunctie. Psychische klachten werden niet als arbeidsongeschiktheid erkend omdat behandeling pas later begon en appellant zonder verzuim werkte.
De Raad oordeelde dat de rechtbank een onjuiste maatstaf arbeid hanteerde en dat het UWV terecht het ziekengeld beëindigde. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van appellant.