ECLI:NL:CRVB:2014:237
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheidsduur indicatiebesluit AWBZ en niet-ontvankelijkheid hoger beroep
In deze zaak staat de geldigheidsduur van een indicatiebesluit op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) centraal. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) had op 4 juni 2008 een indicatie afgegeven voor een Zorgzwaartepakket GGZ 05, klasse 7, met een geldigheidsduur tot 24 april 2011, later verlengd tot 24 april 2013. Bij besluit van 5 februari 2009 (bestreden besluit 1) werd het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit ongegrond verklaard en het besluit ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
Naar aanleiding van het hoger beroep heeft CIZ op 9 april 2013 een herziene beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2), waarbij de indicatie werd vastgesteld tot 24 april 2023, conform de toen geldende maximale geldigheidsduur van vijftien jaar. Appellant betwistte deze einddatum en stelde dat de indicatie tot 24 april 2028 moest lopen, omdat de maximale duur destijds vijf jaar bedroeg en de nieuwe beleidsregels van toepassing zouden zijn vanaf 2013.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep tegen het besluit van 5 februari 2009 niet-ontvankelijk is omdat appellant geen belang meer heeft bij de beoordeling daarvan. Ten aanzien van het besluit van 9 april 2013 oordeelde de Raad dat CIZ terecht de begindatum van de indicatie op 24 april 2008 heeft gesteld en de maximale geldigheidsduur van vijftien jaar correct heeft toegepast. Het beroep tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. Daarnaast werd CIZ veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het besluit van 5 februari 2009 is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 9 april 2013 is ongegrond verklaard.