Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:237

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 januari 2014
Publicatiedatum
30 januari 2014
Zaaknummer
10-1464 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 15 ZorgindicatiebesluitArt. 1 Zorgindicatieregeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling geldigheidsduur indicatiebesluit AWBZ en niet-ontvankelijkheid hoger beroep

In deze zaak staat de geldigheidsduur van een indicatiebesluit op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) centraal. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) had op 4 juni 2008 een indicatie afgegeven voor een Zorgzwaartepakket GGZ 05, klasse 7, met een geldigheidsduur tot 24 april 2011, later verlengd tot 24 april 2013. Bij besluit van 5 februari 2009 (bestreden besluit 1) werd het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit ongegrond verklaard en het besluit ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

Naar aanleiding van het hoger beroep heeft CIZ op 9 april 2013 een herziene beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2), waarbij de indicatie werd vastgesteld tot 24 april 2023, conform de toen geldende maximale geldigheidsduur van vijftien jaar. Appellant betwistte deze einddatum en stelde dat de indicatie tot 24 april 2028 moest lopen, omdat de maximale duur destijds vijf jaar bedroeg en de nieuwe beleidsregels van toepassing zouden zijn vanaf 2013.

De Raad oordeelde dat het hoger beroep tegen het besluit van 5 februari 2009 niet-ontvankelijk is omdat appellant geen belang meer heeft bij de beoordeling daarvan. Ten aanzien van het besluit van 9 april 2013 oordeelde de Raad dat CIZ terecht de begindatum van de indicatie op 24 april 2008 heeft gesteld en de maximale geldigheidsduur van vijftien jaar correct heeft toegepast. Het beroep tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. Daarnaast werd CIZ veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen het besluit van 5 februari 2009 is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 9 april 2013 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

10/1464 AWBZ, 13/2846 AWBZ
Datum uitspraak: 29 januari 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van
3 februari 2010, 09/1927 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.
CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2012. Voor appellant zijn
[naam wettelijk vertegenwoordiger] (wettelijk vertegenwoordiger) en mr. Beelaard verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater en B.M. Nederlof. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
CIZ heeft op 9 april 2013 een herziene beslissing op bezwaar genomen.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 4 juni 2008 heeft CIZ op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een indicatie gegeven voor Zorgzwaartepakket (ZZP) GGZ 05, klasse 7, in de periode van 24 april 2008 tot en met 24 april 2011. CIZ heeft bij besluit van
12 juni 2008 de indicatieperiode verlengd tot en met 24 april 2013.
1.2.
Bij besluit van 5 februari 2009 (bestreden besluit 1) heeft CIZ het bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2008 ongegrond verklaard en dat besluit ambtshalve ingetrokken.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.
3.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van de Raad heeft CIZ nader onderzoek verricht en op 9 april 2013 een herziene beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Bij dit besluit, dat bestreden besluit 1 vervangt, heeft CIZ een indicatie gegeven voor ZZP GGZ 7B met dagbesteding en vervoer, klasse 7, in de periode van 24 april 2008 tot 24 april 2023.
4.
Appellant kan zich verenigen met bestreden besluit 2 behalve wat betreft de einddatum van de indicatie. Appellant stelt zich op het standpunt dat de indicatie moet lopen tot 24 april 2028, omdat ten tijde van het besluit van 4 juni 2008 de maximale indicatieduur vijf jaar bedroeg en de maximale indicatieduur in de huidige beleidsregels is uitgebreid naar vijftien jaar, te rekenen vanaf 24 april 2013.
5.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
5.1.
Bij bestreden besluit 2 heeft CIZ bestreden besluit 1 vervangen. Aangezien niet is gebleken dat appellant nog enig belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van bestreden besluit 1, zal de Raad het hoger beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaren.
Het beroep tegen bestreden besluit 2
5.2.
Aangezien bestreden besluit 2 niet volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet komt, wordt dit nieuwe besluit op de voet van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de beoordeling betrokken.
5.3.
Artikel 15, tweede lid, van het Zorgindicatiebesluit bepaalt dat bij ministeriële regeling regels over de geldigheidsduur van indicatiebesluiten kunnen worden gesteld.
5.4.
Met ingang van 1 januari 2011 bepaalt artikel 1, eerste lid, van de Zorgindicatieregeling dat de geldigheidsduur van een indicatiebesluit maximaal vijftien jaar is.
5.5.
Aangezien bestreden besluit 2 een heroverweging van het besluit van 4 juni 2008 betreft, heeft CIZ (ook) in bestreden besluit 2 terecht de begindatum van de indicatie vastgesteld op 24 april 2008. Op grond van de ten tijde van bestreden besluit 2 geldende regelgeving bedraagt de maximale geldigheidsduur van een indicatie vijftien jaar, zodat deze tot uiterlijk
24 april 2023 kan lopen.
5.6.
Het hiervoor overwogene betekent dat het standpunt van appellant als vermeld onder 4 geen doel treft en dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond zal worden verklaard.
Proceskosten
6.
De Raad ziet aanleiding om CIZ te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.461,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep tegen het besluit van 5 februari 2009 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 april 2013 ongegrond;
- veroordeelt CIZ in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.461,-;
- bepaalt dat CIZ aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en A.J. Schaap en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) P.J.M. Crombach
JvC