ECLI:NL:CRVB:2014:2388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant viel op 26 augustus 2008 uit wegens schouder- en psychische klachten en vroeg een uitkering aan op grond van de Wet WIA. Het UWV stelde bij besluit van 31 maart 2011 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een uitkering. Dit besluit werd ondersteund door een psychiatrische expertise en arbeidsdeskundige rapporten.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellant tegen het UWV-besluit eveneens ongegrond, omdat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde om het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts te weerleggen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat en dat het oordeel van de behandelend psychiater meer gewicht zou moeten krijgen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de overgelegde medische stukken geen nieuwe inzichten boden en bevestigde dat de belastbaarheid van appellant juist was vastgesteld. Er was geen aanleiding om een deskundige te benoemen.
De Raad concludeerde dat de functies die appellant medisch gezien nog kon verrichten passend waren en dat het hoger beroep niet slaagde. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd; appellant heeft geen recht op WIA-uitkering.