Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant viel op 14 april 2009 uit wegens schouderklachten en kreeg later psychische klachten. Het UWV stelde op 21 juni 2011 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd op 23 januari 2012 bevestigd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige grondslag.
In hoger beroep herhaalde appellant dat er onvoldoende informatie was ingewonnen bij zijn behandelend psychiater en dat hij meer beperkingen ondervond op het gebied van concentratie, aandacht, flexibiliteit en geheugen. De verzekeringsarts stelde echter vast dat de psychische problematiek wel was meegenomen en dat de behandeling pas na de datum in geschil was gestart. Er was geen aanleiding om de belastbaarheid aan te passen.
De Raad overwoog dat de gronden van appellant een herhaling waren van eerdere bezwaren die reeds door de rechtbank waren beoordeeld. Er waren geen nieuwe medische gegevens die twijfel konden zaaien over de juistheid van de vastgestelde beperkingen. De verzekeringsartsen waren niet verplicht informatie op te vragen bij de behandelend sector omdat appellant niet aantoonde dat hij op de datum in geschil onder behandeling was. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.