ECLI:NL:CRVB:2014:2433

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juli 2014
Publicatiedatum
18 juli 2014
Zaaknummer
12-6074 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:19 AwbArt. 8:57 AwbArt. 17 Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning Wajong-uitkering na aanvankelijke weigering door UWV

De zaak betreft een hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die de weigering van een Wajong-uitkering aan betrokkene vernietigde. De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Na een tussenuitspraak waarin de Raad het UWV opdroeg het medische gebrek in het besluit te herstellen, heeft het UWV op 31 januari 2014 alsnog een Wajong-uitkering toegekend met terugwerkende kracht vanaf 26 november 2008. De Raad oordeelt dat hiermee volledig aan de bezwaren van betrokkene is tegemoetgekomen.

Het hoger beroep van het UWV slaagt daarom niet en de Raad bevestigt de eerdere uitspraak met verbeterde gronden. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, begroot op €1.218, en wordt een griffierecht van €466 geheven.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

12/6074 WAJONG
Datum uitspraak: 18 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
3 oktober 2012, 10/6044 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. Y. Reichardt een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning. Voor betrokkene is mr. Reichardt verschenen.
Bij tussenuitspraak van 29 november 2013, ECLI:CRVB:2013:3003, heeft de Raad appellant opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft appellant op
31 januari 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Partijen hebben nadere reacties ingezonden.
De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 17, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.
Bij besluit van 2 juli 2010 heeft appellant geweigerd aan betrokkene een uitkering ingevolge de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen. Dit besluit is gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van 9 november 2010 (bestreden besluit).
2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen en beslissingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft daarbij het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd en de door deze deskundige gebezigde motivering overtuigend geacht.
3.
Appellant heeft zich met de uitspraak van de rechtbank niet kunnen verenigen en hoger beroep ingesteld.
4.
In de tussenuitspraak is geoordeeld dat de rechtbank in dit geval terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit niet berust op een juiste medische grondslag. De Raad heeft appellant opgedragen om dit gebrek te herstellen.
5.
Bij het besluit van 31 januari 2014 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 2 juli 2010 alsnog gegrond geacht en aan hem met ingang van 26 november 2008 een Wajong-uitkering toegekend.
6.
De Raad komt tot de volgende beoordeling
6.1.
Uit het voorgaande volgt dat met het besluit van 31 januari 2014 geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van betrokkene. Het geding strekt zich, gelet op artikel 8:19, eerste lid van de Awb, dus niet mede uit tot dit nieuwe besluit.
6.2.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van gronden.
7.
Er is aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.218,- in hoger beroep (één punt voor het verweerschrift, één punt voor het bijwonen van de zitting en een half punt voor het indienen van de zienswijze).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van
€ 1.218,-;
- bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 466,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2014.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) R.L. Rijnen
IvZ