ECLI:NL:CRVB:2014:2498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van terugvordering onverschuldigde WW-uitkering na niet-ontvankelijk bezwaar
Appellant ontving van 30 juli 2010 tot 5 december 2011 een WW-uitkering. Het UWV trok bij besluit van 5 januari 2012 de uitkering over de periode 1 augustus 2011 tot 4 december 2011 in en vorderde €7.769,70 terug wegens onverschuldigde betaling. Tevens werd een boete van €780 opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2012, waarin werd bepaald dat het bedrag in één keer moest worden terugbetaald. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het bezwaar niet was gericht tegen het intrekkings- en terugvorderingsbesluit van 5 januari 2012, dat in rechte onaantastbaar was geworden.
In hoger beroep betoogde appellant dat een eerdere brief als bezwaar moest worden beschouwd, maar de Raad oordeelde dat deze brief geen bezwaar was tegen het intrekkingsbesluit. Aangezien appellant geen beroepsgronden tegen de invordering had aangevoerd, werd het beroep ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel dat het bezwaar tegen de terugvordering niet ontvankelijk is en wijst het hoger beroep af.