ECLI:NL:CRVB:2014:2520

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juli 2014
Publicatiedatum
25 juli 2014
Zaaknummer
13-4581 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding verhuiskosten wegens ontbreken medische noodzaak

Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer met blijvende psychische invaliditeit, verzocht om vergoeding van verhuiskosten vanwege gedwongen verkoop van zijn woning. Verweerder wees dit verzoek af omdat uit adviezen van twee geneeskundigen bleek dat er geen medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid voor verhuizing was.

De Raad bevestigde het beleid dat vergoeding alleen wordt toegekend als verhuizing medisch noodzakelijk is door een combinatie van causale en niet-causale klachten. De financiële problemen en dreiging van gedwongen verkoop door de bank vormen geen medische reden voor verhuizing.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 juli 2014.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van medische noodzaak voor verhuizing.

Uitspraak

13/4581 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen:
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Datum uitspraak: 24 juli 2014
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 juli 2013, kenmerk BZ01633412 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2014, waar appellant niet is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind en
mr. C. Vooijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in 1930, is in 1994 erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Daarbij is aangenomen dat bij hem sprake is van blijvende psychische invaliditeit als gevolg van het door hem ondergane oorlogsgeweld. Later is ook aanvaard dat de gevolgen van een neusfractuur met dat oorlogsgeweld in verband staan.
1.2. In maart 2013 heeft appellant verzocht om aan hem de kosten van verhuizing en herinrichting te vergoeden. Hierbij heeft hij laten weten dat hij zijn huis gedwongen moet verkopen vanwege financiële problemen. Op dit verzoek heeft verweerder afwijzend beslist bij besluit van 3 juni 2013, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.
2.
Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.
2.1.
Verweerder hanteert als beleid dat een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten kan worden toegekend als de causale medische klachten een verhuizing naar een andere (adequate) woning noodzakelijk maken. Voor het toekennen van een tegemoetkoming geldt
- kort gezegd - de voorwaarde dat sprake is van een combinatie van niet-causale klachten die de verhuizing medisch noodzakelijk maken en causale klachten die de verhuizing wenselijk maken. De Raad heeft meermalen uitgesproken dit beleid van verweerder houdbaar te achten.
2.2.
De hier in geding zijnde afwijzing is gebaseerd op adviezen van twee adviserend geneeskundigen van verweerder. Deze hebben beiden geen medische noodzaak of een medisch-sociale wenselijkheid voor een verhuizing aanwezig geacht. Uit deze adviezen en de overige gedingstukken blijkt dat de bank waar appellant zijn hypotheek heeft afgesloten dreigt met gedwongen verkoop van de woning. Ook appellant zelf heeft aangegeven dat dit de reden vormt om te verhuizen. Daarmee wordt niet voldaan aan de onder 2.1 genoemde criteria. Dat de te betrekken woning zou moeten voldoen aan bepaalde eisen in verband met de psychische klachten van appellant, maakt dat niet anders.
2.3.
Het beroep wordt dus ongegrond verklaard.
3.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en
B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2014.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD