ECLI:NL:CRVB:2014:2526

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juli 2014
Publicatiedatum
25 juli 2014
Zaaknummer
13-720 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening Wubo-uitkering wegens ontbreken blijvende psychische invaliditeit

Appellante heeft in 2008 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), welke werd afgewezen omdat niet was vastgesteld dat zij oorlogsgeweld had ondergaan. Na een herzieningsverzoek erkende verweerder dat appellante oorlogsgeweld had meegemaakt, maar stelde dat dit niet had geleid tot blijvende invaliditeit.

Appellante stelde in beroep dat haar psychische klachten wel degelijk blijvende invaliditeit veroorzaakten, onderbouwd met een psychiatrisch rapport. De Raad toetste dit aan het beleid waarbij blijvende psychische invaliditeit wordt vastgesteld aan de hand van beperkingen in minimaal twee van vier AMA-rubrieken: dagelijkse activiteiten, sociaal functioneren, concentratie en aanpassing aan stress.

Op basis van een geneeskundig advies concludeerde de Raad dat appellante slechts geringe tot matige beperkingen vertoont, onvoldoende voor blijvende invaliditeit. Het rapport van de psychiater hield geen rekening met de AMA-criteria en richtte zich vooral op mogelijke toekomstige verslechtering, wat niet relevant is voor de beoordeling op het moment van aanvraag.

De Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst erop dat appellante een nieuwe aanvraag kan indienen bij verslechtering, waarbij dan opnieuw wordt beoordeeld of de klachten aan oorlogsgeweld zijn toe te schrijven.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende psychische invaliditeit in de zin van de Wubo.

Uitspraak

13/720 WUBO
Datum uitspraak: 24 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van
20 december 2012, kenmerk BZ01411940 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2014. Daar is van de zijde van appellante niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. C. Vooijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren in 1938, heeft in februari 2008 bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo. Die aanvraag is afgewezen bij besluit van 26 september 2008 op de grond dat niet is komen vast te staan dat appellante oorlogsgeweld in de zin van de Wubo heeft ondergaan. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.
1.2. In april 2011 is namens appellante verzocht die afwijzing te herzien. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 4 november 2011. Na bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit alsnog erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld, te weten het tijdens de Japanse bezetting getuige zijn geweest van verkrachtingen. Verweerder heeft echter appellante niet in aanmerking gebracht voor financiële aanspraken op grond van de Wubo. Dit op de grond dat het oorlogsgeweld bij appellante niet heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. In dat verband is overwogen dat de psychische klachten (slaapstoornissen en agorafobische klachten) slechts geringe beperkingen opleveren in haar dagelijks functioneren. Ten aanzien van de bij appellante aanwezige lichamelijke klachten (schildklierklachten, hoge bloeddruk, bursitis en oogklachten) is geoordeeld dat deze klachten niet gerelateerd kunnen worden aan het oorlogsgeweld, maar duidelijk andere oorzaken hebben.
1.3. In beroep is namens appellante naar voren gebracht dat appellante lijdt aan psychische klachten die zodanige beperkingen opleveren in haar functioneren dat wel sprake is van blijvende invalidering. In dat verband is verwezen naar de resultaten van het onderzoek dat zij heeft laten verrichten door de psychiater H.E. Sanders.
2.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
In beroep is alleen het oordeel van verweerder bestreden dat bij appellante geen sprake is van blijvende psychische invaliditeit in de zin van de Wubo.
2.2.
Van blijvende psychische invaliditeit in de zin van de Wubo is volgens het beleid van verweerder sprake indien de betrokkene beperkingen heeft in minstens twee van de vier aan de American Medical Association (AMA) ontleende rubrieken, te weten (1) dagelijkse activiteiten, (2) sociaal functioneren, (3) concentratie, doorzettingsvermogen en tempo en (4) aanpassing aan stressvolle omstandigheden. Deze maatstaf is door de Raad in vaste rechtspraak aanvaard.
2.3.
Het door verweerder ingenomen standpunt berust op het door de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager, arts, uitgebrachte advies. Dat advies is opgemaakt na een persoonlijk onderhoud met appellante. Bij haar advisering heeft Ohlenschlager ook betrokken het rapport van de arts J. van Hooidonk die appellante in 2008 heeft onderzocht naar aanleiding van een aanvraag in het kader van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Ohlenschlager concludeert dat, evenals bij de beoordeling in 2008, bij appellante nog altijd sprake is van een PTSS, die gekleurd wordt door diverse oorlogservaringen. Deze klachten leiden alleen tot geringe-matige beperkingen in de rubriek “dagelijkse activiteiten” zodat, gemeten aan de invaliditeitspunten van de AMA, niet gesproken kan worden van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Aan een causaliteitsbeoordeling is Ohlenschlager daarom niet toegekomen.
2.4.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van dit advies deugdelijk voorbereid en overtuigend gemotiveerd. In het rapport van Ohlenschlager wordt appellante beschreven als een persoon die ten tijde hier van belang nog goed functioneert en een vrij actief leven leidt. Uit het in beroep overgelegde rapport van Sanders kan niet worden afgeleid dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. Niet alleen heeft Sanders niet de in het kader van de oorlogswetten bekende, onder 2.2 genoemde, beoordelingssystematiek van de AMA gehanteerd, Sanders lijkt met name rekening te houden met mogelijk toekomstige psychische gevolgen voor appellante als met het stijgen van de jaren haar façade van stevigheid (“er is niks aan de hand”) zal afbrokkelen en dat haar kwetsbaar zal maken. Voor het vaststellen van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo is echter in beginsel de gezondheidstoestand ten tijde van de aanvraag bepalend. Daarbij is geen ruimte om rekening te houden met een eventuele verwachte verslechtering in de gezondheidstoestand.
2.5.
Het staat appellante uiteraard vrij om een hernieuwde aanvraag in te dienen als haar medische toestand verslechtert. Hierbij wordt wel opgemerkt dat verweerder zich dan nog moet buigen over de vraag of de psychische klachten van appellante aan het oorlogsgeweld kunnen worden toegeschreven.
2.6.
Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en het beroep ongegrond moet worden verklaard.
3.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en
B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2014.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD