Appellant, voorheen werkzaam in de bouwsector, ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Hij nam deel aan een training en kreeg via het WGS team een aanbod voor een baan als opperman bij een bouwbedrijf. Na een sollicitatiegesprek en overleg over arbeidsvoorwaarden is geen dienstverband tot stand gekomen. Het college verlaagde de bijstand met 100% gedurende een maand wegens het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze verlaging ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij het werk niet geweigerd had, maar alleen de arbeidsvoorwaarden wilde bespreken, met name het salaris. De Raad oordeelde dat uit e-mails en telefoongesprekken blijkt dat appellant het salaris te laag vond en daarom niet wilde werken. Hij heeft een reële kans op werk laten liggen en dit kan hem worden verweten.
De Raad concludeerde dat appellant niet voldeed aan zijn verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en dat het college daarom terecht de bijstand heeft verlaagd. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.