ECLI:NL:CRVB:2014:2549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.M. Overbeeke
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet woonachtig zijn op uitkeringsadres
Appellante ontvangt sinds 1994 bijstand en staat ingeschreven op een uitkeringsadres. Naar aanleiding van een melding dat zij samenwoont met de vader van haar kinderen op een ander adres, heeft de gemeente een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvatte het opvragen van waterverbruikgegevens, waarnemingen, een gesprek met appellante en een huisbezoek.
Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft het college de bijstand ingetrokken en teruggevorderd wegens het niet melden van het feit dat appellante niet op het uitkeringsadres woonde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep betwist appellante dat zij niet op het uitkeringsadres woonde en stelt dat zij vanwege haar gezondheid vaak elders verbleef, maar dit aan een medewerker van het college had gemeld. De Raad oordeelt dat deze grondslag niet tijdig is aangevoerd en dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante niet op het uitkeringsadres woonde. De onderzoeksgegevens, waaronder waterverbruik, waarnemingen en verklaringen van buurtbewoners, ondersteunen dit.
De Raad stelt vast dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij elders woonde. De intrekking en terugvordering van bijstand zijn daarom terecht. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet woonachtig zijn op het uitkeringsadres worden bevestigd.