Appellant ontving sinds 2004 bijstand en liet deze sinds 2005 op een derde zijn bankrekening storten omdat hij zijn financiën niet goed kon regelen. In 2011 verzocht het college om bankafschriften van die derde, maar appellant kon deze niet overleggen omdat de derde weigerde.
Het college trok de bijstand in per 25 augustus 2011 wegens het niet voldoen aan het verzoek binnen de hersteltermijn. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college in dit bijzondere geval niet zonder meer tot intrekking kon overgaan zonder appellant eerst de kans te geven zijn financiële situatie te regulariseren.
De Raad vernietigde het besluit, herstelde de bijstand met ingang van 10 oktober 2011, en veroordeelde het college tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen bijstand en de proceskosten van appellant.