ECLI:NL:CRVB:2014:2566

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2014
Publicatiedatum
29 juli 2014
Zaaknummer
12-2769 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing beroep tegen UWV-besluit geen toename arbeidsongeschiktheid

Appellant ontvangt sinds 18 juni 2000 een WAO-uitkering, laatstelijk vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Op 8 april 2011 meldt appellant een verslechtering van zijn gezondheid. Het UWV onderzoekt dit en besluit op 28 juni 2011 dat er per 1 september 2009 geen sprake is van toename van arbeidsongeschiktheid. Appellant maakt bezwaar tegen dit besluit, dat op 15 november 2011 ongegrond wordt verklaard.

Appellant gaat in beroep bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch, die het beroep ongegrond verklaart. De rechtbank acht het standpunt van het UWV juist, ook al vermeldt een longarts in een brief van 4 maart 2010 ernstige OSAS en vermoeidheidsklachten. Deze brief dateert echter van meer dan zeven maanden na de datum in geschil, waardoor de rechtbank geen aanleiding ziet het oordeel van het UWV te herzien.

In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep herhaalt appellant zijn bezwaren, maar de Raad onderschrijft de beoordeling van de rechtbank. De medische stukken bieden geen aanwijzingen dat appellant op de datum in geschil meer beperkingen had dan door het UWV aangenomen. Ook de arbeidskundige beoordeling blijft ongewijzigd. Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

12/2769 WAO
Datum uitspraak: 23 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van
29 maart 2012, 11/4229 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.H.W. Verberne hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.J. Saman. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft appellant met ingang van 18 juni 2000 een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant heeft op 8 april 2011 een verslechtering van zijn gezondheid gemeld.
1.2. Na medisch onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 28 juni 2011 vastgesteld dat er per
1 september 2009 geen sprake is van toename van arbeidsongeschiktheid van appellant.
1.3. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van
15 november 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in het door appellant gestelde geen grond gezien om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat in voldoende mate rekening is gehouden met de vermoeidheidsklachten van appellant. Dat de longarts F.A.N. Cox in een brief van 4 maart 2010 melding maakt van een ernstige OSAS en van veel vermoeidheidsklachten heeft de rechtbank niet tot de conclusie geleid dat het Uwv per de datum in geding te weinig beperkingen heeft aangenomen. De rechtbank heeft daarbij mede van belang geacht dat de brief van de longarts dateert van meer dan zeven maanden na de datum in geding.
3.1.
Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen. Hij is van mening dat de rechtbank ten onrechte het verzekeringsgeneeskundige oordeel van het Uwv heeft onderschreven en de beschikbare medische informatie van longarts Cox niet op juiste waarde heeft ingeschat.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. De rechtbank heeft de gronden van beroep op juiste wijze besproken. De stukken bevatten voldoende informatie over de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. De brief van de longarts, waarmee het Uwv ten tijde van de beoordeling reeds bekend was, biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat appellant op de datum in geding meer of anders beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. De beoordeling van de rechtbank wordt dan ook onderschreven.
4.2.
Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting wordt volstaan met te verwijzen naar de overwegingen in de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.
4.3.
De overwegingen 4.1 en 4.2 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) S.K. Dekker
IvZ