Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:260

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 januari 2014
Publicatiedatum
30 januari 2014
Zaaknummer
12-4587 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand art. 11Wet werk en bijstand art. 34
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens vermogen boven vrij te laten grens

Appellanten hebben op 17 mei 2011 een aanvraag om bijstand ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam op 16 juni 2011 buiten behandeling werd gesteld. Na bezwaar werd de aanvraag alsnog afgewezen omdat appellanten beschikten over een vermogen boven de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen.

In hoger beroep stond centraal of appellanten gedurende de periode van 17 mei 2011 tot 27 september 2011 schulden hadden ter hoogte van €10.000,- aan twee personen, A en R, die het vermogen zouden verminderen. Appellanten stelden zich op het standpunt dat deze schulden bestonden en verwezen naar een notariële akte van 27 september 2011.

De Raad oordeelde dat schulden alleen in aanmerking kunnen worden genomen als aannemelijk is dat zij bestaan en een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling geldt. De notariële akte toonde echter slechts een verklaring van terugbetaling over een eerdere periode (januari tot juni 2010) en gaf geen bewijs van een schuld gedurende de relevante periode. Ook andere gegevens boden geen aanwijzing voor een dergelijke schuld.

Het college had bij de latere toekenning van bijstand per 27 september 2011 wel rekening gehouden met de schuld, maar dit was een fout ten gunste van appellanten die niet herhaald hoefde te worden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstand bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens vermogen boven de vrij te laten grens.

Uitspraak

12/4587 WWB, 12/4588 WWB
Datum uitspraak: 28 januari 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2012, 12/477 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] (appellant) en[Appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. R. Besemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2013. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten hebben zich op 17 mei 2011 gemeld om op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) bijstand aan te vragen. Op 25 mei 2011 hebben zij een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 16 juni 2011 heeft het college die aanvraag buiten behandeling gesteld. Tegen dat besluit hebben appellanten bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij besluit van 11 november 2011 heeft het college aan appellanten naar aanleiding van een latere aanvraag op grond van de WWB met ingang van 27 september 2011 bijstand toegekend.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 22 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van 25 mei 2011 alsnog afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten ten tijde hier van belang beschikten of redelijkerwijs hebben kunnen beschikken over een vermogen boven de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter beoordeling ligt voor de periode vanaf 17 mei 2011, de datum waarop appellanten zich hebben gemeld om bijstand aan te vragen, tot 27 september 2011, de datum met ingang waarvan aan appellanten bij het besluit van 11 november 2011 bijstand is toegekend.
4.2.
Tussen partijen is in geschil of appellanten gedurende de hier te beoordelen periode een vermogen hadden boven de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant in die periode schulden ter hoogte van in totaal
€ 10.000,- had aan [A.] (A) en[R.] (R). Tussen partijen is niet in geschil dat, indien bij de vaststelling van het vermogen met die schulden rekening moet worden gehouden, van een overschrijding van de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen geen sprake is. Ter onderbouwing van die schulden wijzen appellanten op een notariële akte van 27 september 2011. Bij de toekenning van de bijstand bij het besluit van 11 november 2011 heeft het college aan die notariële akte betekenis gehecht in die zin dat het college bij de vaststelling van het vermogen per 27 september 2011 de betreffende schuld van € 10.000,- wel in aanmerking heeft genomen.
4.3.
Schulden kunnen in het kader van de toepassing van de WWB bij de vaststelling van het vermogen uitsluitend in aanmerking worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan en dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.
4.4.
In de notariële akte is vermeld dat appellant, A en R op die dag voor de notaris zijn verschenen en hebben verklaard dat appellant in de periode januari 2010 tot en met juni 2010
van A en R bedragen van in totaal € 10.000,- heeft geleend en dat die bedragen zijn terugbetaald waarvoor kwijting wordt verleend. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellanten daarmee niet aannemelijk hebben gemaakt dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode aan A en R een schuld van € 10.000,- had waarmee bij het vaststellen van het vermogen van appellanten rekening moet worden gehouden. De akte bewijst slechts wat appellant, A en R op 27 september 2011 ten overstaan van de notaris hebben verklaard. De akte bewijst niet dat de betreffende schuld in de periode van januari 2010 tot en met juni 2010 is ontstaan en of er een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling aan was verbonden. De akte bewijst evenmin dat de betreffende schuld op 27 september 2011 daadwerkelijk is afgelost. Ook uit de overige beschikbare gegevens blijkt niet dat sprake was van schulden van appellant aan
A en R waaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling was verbonden.
4.5.
Anders dan appellanten hebben aangevoerd doet de omstandigheid dat het college met de gestelde schuld van € 10.000,- wel rekening heeft gehouden bij de vaststelling van het vermogen per 27 september 2011 niet af aan wat onder 4.4 is overwogen. Namens het college is ter zitting nader toegelicht dat het verlenen van bijstand aan appellanten met ingang van
27 september 2011 berust op een fout ten voordele van appellanten. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, heeft het college zich terecht niet gehouden geacht die fout in het bestreden besluit te herhalen.
4.6.
Uit wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2014.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) S.K. Dekker

HD