Appellant, werkzaam als [naam functie], viel op 25 maart 2009 uit vanwege lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit van 17 oktober 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering vast met een arbeidsongeschiktheid van 62%. Appellant maakte bezwaar, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van beroepsgronden.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn psychische gesteldheid hem verhinderde tijdig te reageren, waardoor het verzuim verschoonbaar was. De Raad oordeelde dat de rechtbank onterecht niet-ontvankelijk had verklaard, omdat er feitelijk uitstel was verleend. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en ging over tot inhoudelijke beoordeling.
De Raad concludeerde dat de medische en arbeidskundige rapporten, waaronder die van een bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige, voldoende en zorgvuldig waren opgesteld. De beperkingen van appellant waren adequaat vastgesteld, en er was geen reden om aan te nemen dat appellant volledig arbeidsongeschikt was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep, inclusief het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door M.C. Bruning op 25 juli 2014.