Uitspraak
.Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WAO-uitkering die door het UWV werd ingetrokken met ingang van 15 september 2009, omdat appellant sinds 15 augustus 2009 gedetineerd was en deze detentie langer dan een maand duurde. Het UWV vorderde vervolgens de onverschuldigd betaalde uitkeringen terug, wat door appellant werd bestreden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de intrekking en terugvordering terecht waren, aangezien de vrijheidsbeneming rechtmatig was en de wet dwingend voorschrijft dat bij detentie langer dan een maand de uitkering wordt ingetrokken. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de voorlopige hechtenis onrechtmatig was en dat het UWV had kunnen kiezen voor een voorwaardelijke beëindiging van de uitkering.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en benadrukte dat het niet van belang is of de strafprocedure eindigt in een veroordeling. De wet biedt geen ruimte voor gedeeltelijke of voorwaardelijke beëindiging. De Raad wees ook het beroep af dat de intrekking in strijd zou zijn met internationale verdragen, omdat deze grond onvoldoende onderbouwd was.
De terugvordering van € 8.224,69 werd eveneens bevestigd omdat deze gebaseerd was op de juiste periode en het juiste bedrag. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en de terugvordering van onverschuldigde betalingen wegens rechtmatige detentie.