ECLI:NL:CRVB:2014:2665
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens niet vervulde wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als inpakster en meldde zich ziek vanwege epilepsie. Na een periode van ziekte en een Ziektewet-uitkering werd zij op 24 november 2010 hersteld gemeld door het UWV, wat leidde tot beëindiging van de ZW-uitkering. Appellante vroeg later een WIA-uitkering aan, maar het UWV wees dit af omdat zij niet de vereiste onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt was geweest.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij eerder dan de aanvraag in september 2011 een WIA-aanvraag had gedaan en dat de wachttijd niet was vervuld. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij op 18 november 2010 een eerdere aanvraag had gedaan, maar het UWV en de Raad oordeelden dat de beoordeling van de wachttijd aan het UWV toekomt.
Een bezwaarverzekeringsarts onderzocht de medische gegevens en concludeerde dat appellante tussen de hersteldmelding en het einde van de wachttijd in maart 2011 in staat was haar werk te verrichten, met uitzondering van een korte klinische observatie. Appellante heeft dit niet betwist of onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellante niet aan de wachttijdvereiste voldeed en dus geen recht had op een WIA-uitkering. Het hoger beroep werd afgewezen zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering omdat zij niet onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest.