ECLI:NL:CRVB:2014:2669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WAO-uitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid en reële ziekmelding
Appellant vorderde een WAO-uitkering, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde dat hij nooit arbeidsongeschikt was geweest binnen de verzekeringsperiode. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant niet voldeed aan de wettelijke vereisten van artikel 18 en Pro 19 van de WAO, waaronder een aaneengesloten ziekmelding van minimaal 52 weken.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en voerde aanvullende stukken aan, waaronder brieven van voormalige werkgevers. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze brieven onvoldoende bewijs vormen van arbeidsongeschiktheid, omdat het staken van arbeid zonder objectieve medische vaststelling niet volstaat.
De Raad benadrukte dat arbeidsongeschiktheid een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte moet zijn en dat appellant niet heeft aangetoond dat hij aan deze voorwaarden voldeed. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de stopzetting van de WAO-uitkering bevestigd wegens ontbreken van arbeidsongeschiktheid en reële ziekmelding.