Appellant viel op 12 oktober 2009 uit met rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV besloot op 3 augustus 2011 dat appellant per 10 oktober 2011 geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij geschikt was voor de maatgevende functie van officemanager. Dit besluit werd bij bezwaar op 10 januari 2012 gehandhaafd. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundige aannemelijk had gemaakt dat appellant zijn eigen werk kon verrichten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij ten tijde van de primaire beoordeling nog herstellende was van een operatie en dat de medische beoordeling onzorgvuldig was omdat deze gebaseerd was op een prognose. Ook stelde hij dat hij vanwege beperkingen niet in staat was zijn werk te verrichten. Het UWV handhaafde het besluit.
De Raad oordeelde dat de rapporten van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts bijzonder gewicht hebben indien zij zorgvuldig, consistent en concluderend zijn opgesteld. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat deze rapporten onzorgvuldig of onjuist waren. De verzekeringsarts had het dossier uitgebreid bestudeerd, onderzoek verricht en een gemotiveerde inschatting gemaakt van de beperkingen per einde wachttijd. Het huisartsenjournaal dat appellant overlegde gaf geen aanleiding tot een andere beoordeling, mede omdat appellant geen vervolgbehandeling had gezocht.
De Raad concludeerde dat appellant per 10 oktober 2011 in staat was zijn maatgevende functie als officemanager te verrichten en het inkomensverlies daardoor minder dan 35% bedroeg. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.