ECLI:NL:CRVB:2014:2683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daardoor geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het besluit voldoende was gemotiveerd en gebaseerd op degelijke medische en arbeidskundige rapporten.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat en dat de functies die haar belastbaarheid bepalen haar overschrijden. Zij stelde dat het bestuursorgaan op grond van de Awb een volledig onderzoek had moeten verrichten, ook uit eigen initiatief, en dat de motivering van het UWV onvoldoende was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden verricht en dat hun rapporten voldoende waren gemotiveerd. De aanvullende brieven van een psychiater en psychologenpraktijk, ingediend in een laat stadium, brachten geen twijfel aan het oordeel van de verzekeringsartsen. Ook de arbeidsdeskundige had adequaat toegelicht dat de functies binnen de arbeidsmogelijkheden van appellante lagen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd; geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.