ECLI:NL:CRVB:2014:270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel niet in strijd met internationaal recht
Betrokkene, met de Ghanese nationaliteit en sinds 2002 in Nederland verblijvend, vroeg kinderbijslag aan voor haar dochter die wel een verblijfsvergunning heeft. De aanvraag werd afgewezen omdat betrokkene zelf geen geldige verblijfsvergunning bezit, conform artikel 6 lid 2 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en baseerde zich op eerdere uitspraken waarin het koppelingsbeginsel werd bevestigd. De Hoge Raad stelde in een arrest van november 2012 dat het onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus een legitiem doel dient en proportioneel is, waarbij de sociale zekerheidswetgeving een ruime beoordelingsvrijheid kent.
Betrokkene voerde aan dat de weigering in strijd is met artikel 8 en Pro 14 EVRM en diende een klacht in bij het VN-Mensenrechtencomité. De Raad zag echter geen aanleiding om de procedure aan te houden en oordeelde dat geen schrijnende omstandigheden aanwezig zijn die het koppelingsbeginsel buiten toepassing zouden moeten laten.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Ook het beroep van de Sociale verzekeringsbank wordt zonder bespreking verworpen. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep van betrokkene wordt afgewezen en de weigering van kinderbijslag bevestigd.