In deze zaak stond de toekenning van bijzondere bijstand in de vorm van een warmtetoeslag centraal, waarbij appellante stelde te lijden aan reumatoïde artritis die haar extra gevoelig maakt voor koude. De Raad verwijst naar eerdere tussenuitspraak en constateert dat het aanvullend GGD-advies onvoldoende ingaat op het standpunt van de huisarts en PMC over de reumatoïde artritis van appellante.
Het college voerde aan dat het GGD-advies van januari 2014 het gebrek in het eerdere besluit had hersteld, maar appellante betwistte dit en stelde dat het advies geen rekening hield met de medische verklaringen over haar aandoening en de noodzaak tot extra verwarming.
De Raad oordeelt dat de GGD niet heeft aangetoond dat het standpunt van de behandelaars over de reumatoïde artritis onjuist is en wijst erop dat appellante van 2006 tot en met 2010 ook warmtetoeslag ontving. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en het primaire besluit van 6 september 2011 herroepen. De Raad kent appellante bijzondere bijstand toe van € 704,- voor 2011 en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten van € 2.200,50.