ECLI:NL:CRVB:2014:2718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht om een WIA-uitkering, maar het UWV weigerde deze per 23 augustus 2011 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Het bezwaar tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank Utrecht, die oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat haar psychische beperkingen werden onderschat en dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte meer waarde kreeg dan het rapport van NOAGG. De Raad overwoog dat de aanvullende medische stukken die appellante kort voor de zitting had ingediend buiten beschouwing moesten blijven vanwege het ontbreken van hoor en wederhoor.
De Raad sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en vond geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en het arbeidskundig onderzoek. De vastgestelde belastbaarheid en de geschiktheid van de functies waren voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.