ECLI:NL:CRVB:2014:2718

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 augustus 2014
Publicatiedatum
13 augustus 2014
Zaaknummer
12-6174 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante verzocht om een WIA-uitkering, maar het UWV weigerde deze per 23 augustus 2011 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Het bezwaar tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank Utrecht, die oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat haar psychische beperkingen werden onderschat en dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte meer waarde kreeg dan het rapport van NOAGG. De Raad overwoog dat de aanvullende medische stukken die appellante kort voor de zitting had ingediend buiten beschouwing moesten blijven vanwege het ontbreken van hoor en wederhoor.

De Raad sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en vond geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en het arbeidskundig onderzoek. De vastgestelde belastbaarheid en de geschiktheid van de functies waren voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

12/6174 WIA
Datum uitspraak: 13 augustus 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
4 oktober 2012, 12/725 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. El Ahmadi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. El Ahmadi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 29 augustus 2011 heeft het Uwv geweigerd appellante per
23 augustus 2011 in aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht.
1.2. Bij besluit van 18 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gericht tegen het besluit van 29 augustus 2011 ongegrond verklaard.
2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellante. De rechtbank heeft van belang geacht dat de bezwaarverzekeringsarts bij het vaststellen van de psychische belastbaarheid rekening heeft gehouden met de in bezwaar overgelegde informatie van NOAGG. Naar aanleiding van voornoemde informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts op 13 januari 2012 een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld en beperkingen aangenomen ten aanzien van werk in een zeer stressvolle omgeving en werk waarbij geregeld conflicten voorkomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft afdoende gemotiveerd waarom hij afwijkt van de conclusie van NOAGG dat sprake is van een ernstige depressieve stoornis. Appellante heeft in beroep geen medische gegevens ingebracht die twijfel oproepen aan het door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt over de psychische belastbaarheid op de datum in geding, te weten
23 augustus 2011. Wat betreft de lichamelijke klachten van appellante heeft de rechtbank evenmin aanleiding gezien om te concluderen dat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts vanwege de benauwdheidsklachten van appellante in de FML een beperking heeft opgenomen voor het langdurig werken in stoffige ruimtes. Ten aanzien van de voetklachten zijn beperkingen aangenomen op de items staan en lopen. Ten aanzien van de vermoeidheidsklachten overweegt de rechtbank dat deze zijn onderkend maar dat er geen reden is om een urenbeperking aan te nemen. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige toereikend heeft gemotiveerd waarom de belasting van de functies de belastbaarheid van appellante voor arbeid niet overschrijdt.
3.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat haar, met name psychische, beperkingen zijn onderschat en dat ten onrechte een meerwaarde wordt toegekend aan het rapport van de bezwaarverzekeringsarts ten opzichte van het oordeel van NOAGG.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1
Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit voorschrift beoogt, voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, onder meer de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Omdat het Uwv niet heeft kunnen reageren op de nadere medische stukken, die appellante bij faxbericht van
27 juni 2014 heeft ingezonden worden deze stukken, zoals ter zitting besproken, buiten beschouwing gelaten.
4.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormen een herhaling van hetgeen in beroep naar voren is gebracht. Die gronden zijn door de rechtbank besproken en hebben niet kunnen leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit onjuist is. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Appellante heeft, afgezien van de in 4.1 genoemde stukken die buiten beschouwing worden gelaten, geen medische informatie overgelegd die aanleiding zou kunnen zijn voor een andersluidend oordeel. De Raad ziet evenmin als de rechtbank reden voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv.
4.3.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het arbeidskundig onderzoek juist is geweest. Uitgaande van de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante, zoals neergelegd in de FML van 13 januari 2012, zijn de door de bezwaararbeidsdeskundige aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend. In het rapport van 16 januari 2012 zijn de in de resultaat functiebelasting van de geduide functies voorkomende signaleringen afdoende toegelicht.
4.4.
Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) H.J. Dekker

RK