ECLI:NL:CRVB:2014:2719

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 augustus 2014
Publicatiedatum
13 augustus 2014
Zaaknummer
12-6779 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WAO-uitkering toe te kennen vanaf 5 juni 2010 naar aanleiding van haar arbeidsongeschiktheidsmelding. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische belastbaarheid zorgvuldig en inzichtelijk was onderzocht en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) volledig waren vastgesteld.

In hoger beroep stelde appellante dat zij volledig arbeidsongeschikt was en overlegde aanvullende medische informatie van Altrecht, een reumatologe en een psychiater. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze informatie onvoldoende was om de beperkingen in de FML te betwisten. De rapporten van de bezwaarverzekeringsarts ondersteunden dat de FML de beperkingen adequaat weerspiegelde.

De Raad concludeerde dat appellante met de beperkingen in de FML in staat is om de geselecteerde functies, zoals magazijn- en expeditiemedewerker, uit te oefenen. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante, inclusief het betaalde griffierecht en kosten voor verleende rechtsbijstand, totaal €1.948.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd; appellante krijgt geen WAO-uitkering toegekend.

Uitspraak

12/6779 WAO
Datum uitspraak: 13 augustus 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
20 november 2012, 12/705 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft H.J.A. Aerts hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door Aerts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 14 september 2011 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar (naar aanleiding van haar arbeidsongeschiktheidsmelding per 9 mei 2010) vanaf 5 juni 2010 niet (opnieuw) een WAO-uitkering wordt toegekend.
1.2. Bij besluit van 19 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Gelet op de zorgvuldige en inzichtelijke wijze waarop de medische belastbaarheid van appellante is onderzocht ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en de volledigheid van de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) neergelegde beperkingen ten tijde van de datum in geding. De informatie van de revalidatiearts J.H. Martens en de psychiater prof. dr. R.S. Kahn is bij de beoordeling betrokken. Appellante is in staat de werkzaamheden behorende bij de geselecteerde functies te verrichten.
3.
Appellante stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij informatie van Altrecht, van de reumatologe en van prof. dr. Kahn overgelegd.
4.
De Raad overweegt als volgt.
4.1.
In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vanaf 5 juni 2010.
4.2.
Net als de rechtbank ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om de belastbaarheid van appellante op die datum, zoals neergelegd in de FML, voor onjuist te houden. In alle rubrieken van de FML zijn beperkingen aangenomen, ook energetische beperkingen. Appellante heeft niet met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat haar belastbaarheid op die datum meer beperkt is. De door appellante overgelegde informatie van Altrecht, van de reumatologe en van prof. dr. Kahn is daarvoor onvoldoende. De Raad wijst in dit verband ook op de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 5 maart 2013 en 10 december 2013. In deze rapporten is overtuigend toegelicht dat de door appellante overgelegde informatie niet leidt tot de conclusie dat in de FML onvoldoende rekening gehouden is met de beperkingen van appellante.
4.3.
In het voorgaande ligt besloten dat de Raad voldoende informatie heeft over de medische situatie van appellante op de datum in geding. De Raad ziet dan ook geen reden om een deskundige te raadplegen.
4.4.
Met de in de FML opgenomen beperkingen moet appellante in staat worden geacht de voor haar geselecteerde functies uit te oefenen.
4.5.
Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5.
Nu eerst in hoger beroep afdoende is toegelicht dat appellante, ondanks de signalering, ook de functie magazijn, expeditiemedewerker kan uitoefenen, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.948,-. Van andere kosten is de Raad niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.948,-.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) H.J. Dekker
IvZ