ECLI:NL:CRVB:2014:2735

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 augustus 2014
Publicatiedatum
13 augustus 2014
Zaaknummer
12-4906 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingStcrt. 2009, 117
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aflossingsbedrag UWV na inkomenswijziging echtgenote appellant

Appellant is door het UWV verplicht om een openstaande vordering van € 30.924,86 in 46 termijnen van € 675,81 af te lossen. Aanvankelijk was een voorlopige regeling van € 100,- per maand getroffen op basis van de toenmalige inkomenssituatie, waarbij de echtgenote van appellant geen inkomsten had. Later bleek dat de echtgenote van appellant vanwege financiële omstandigheden was gaan werken en een netto inkomen van € 810,- per maand had.

Het UWV heeft appellant verzocht een nieuw inkomens- en vermogensformulier in te vullen, waarop appellant de gewijzigde situatie heeft aangegeven, maar geen nieuw voorstel voor een aflossingsbedrag heeft gedaan. Het UWV heeft daarop het termijnbedrag verhoogd naar € 675,81, conform de wettelijke verplichting om de volledige aflossingscapaciteit te benutten.

Appellant voerde aan dat het UWV onterecht terugkwam op de coulance en dat het vertrouwensbeginsel werd geschonden. De Raad oordeelde dat het vertrouwensbeginsel alleen geldt bij ondubbelzinnige toezeggingen door een bevoegd orgaan, wat hier niet het geval was. De administratieve omissie die tot de lagere aflossing leidde, rechtvaardigt geen gerechtvaardigde verwachting.

Omdat appellant het nieuwe aflossingsbedrag niet inhoudelijk betwistte, is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het aflossingsbedrag van € 675,81 per maand wordt bevestigd.

Uitspraak

12/4906 WAO
Datum uitspraak: 13 augustus 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van
30 juli 2012, 12/711 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.
Bij besluit van 3 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv, na bezwaar en voor zover hier van belang, zijn beslissing gehandhaafd dat appellant de op hem nog openstaande vordering van € 30.924,86 in 46 termijnen van € 675,81 dient af te lossen.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv bij het vaststellen van het termijnbedrag dient uit te gaan van de volledige aflossingscapaciteit van appellant en terecht dat bedrag heeft berekend op € 675,81.
3.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat het Uwv ten onrechte is teruggekomen van de in eerste instantie uit coulance overwegingen getroffen voorlopige terugbetalingsregeling van € 100,- per maand. Volgens appellant heeft het Uwv daarmee gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Appellant heeft de Raad verzocht om een terugbetalingsregeling vast te stellen die aansluit bij zijn financiële draagkracht.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betaling (de Regeling van 23 juni 2009, Stcrt. 2009, 117) dienen periodieke betalingen of verrekeningen zodanig te worden vastgesteld dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
4.2.
Om deze aflossingscapaciteit te kunnen vaststellen heeft appellant op 16 november 2010 het formulier Inkomens- en vermogensonderzoek ingestuurd. In dat formulier is aangekruist dat zijn echtgenote geen inkomsten uit loondienst ontvangt. Appellant heeft voorgesteld om
€ 100,- per maand af te lossen op de vordering die het Uwv op hem heeft. Kennelijk heeft het Uwv daarmee ingestemd.
4.3.
Bij brief van 5 oktober 2011 heeft het Uwv appellant opnieuw verzocht om een formulier Inkomens- en vermogensonderzoek in te sturen. In het formulier van 10 oktober 2011 heeft appellant als toelichting gegeven dat zijn echtgenote gelet op de financiële situatie genoodzaakt was om te gaan werken en haar loon € 810,- netto per maand bedraagt. Appellant heeft niet opnieuw een voorstel voor een aflossingsbedrag gedaan. Naar aanleiding van deze nieuwe gegevens heeft het Uwv vervolgens het aflossingsbedrag op € 675,81 gesteld. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 4, tweede lid, van de Regeling is dit juist.
4.4.
Conform vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BW7853) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slagen als door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem deze toezeggingen zijn gedaan. Daaraan doet niet af dat appellant vanwege een administratieve omissie van de zijde van het Uwv tot op heden steeds € 100,- per maand heeft afgelost.
4.5.
Tot slot wordt vastgesteld dat appellant het aflossingsbedrag niet inhoudelijk heeft betwist. Er is daarom geen aanleiding om een ander aflossingsbedrag vast te stellen zoals door hem is verzocht.
5.
Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014.
(getekend) D.J. van der Vos
(getekend) D. Heeremans
IvZ