Uitspraak
OVERWEGINGEN
€ 100,- per maand af te lossen op de vordering die het Uwv op hem heeft. Kennelijk heeft het Uwv daarmee ingestemd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant is door het UWV verplicht om een openstaande vordering van € 30.924,86 in 46 termijnen van € 675,81 af te lossen. Aanvankelijk was een voorlopige regeling van € 100,- per maand getroffen op basis van de toenmalige inkomenssituatie, waarbij de echtgenote van appellant geen inkomsten had. Later bleek dat de echtgenote van appellant vanwege financiële omstandigheden was gaan werken en een netto inkomen van € 810,- per maand had.
Het UWV heeft appellant verzocht een nieuw inkomens- en vermogensformulier in te vullen, waarop appellant de gewijzigde situatie heeft aangegeven, maar geen nieuw voorstel voor een aflossingsbedrag heeft gedaan. Het UWV heeft daarop het termijnbedrag verhoogd naar € 675,81, conform de wettelijke verplichting om de volledige aflossingscapaciteit te benutten.
Appellant voerde aan dat het UWV onterecht terugkwam op de coulance en dat het vertrouwensbeginsel werd geschonden. De Raad oordeelde dat het vertrouwensbeginsel alleen geldt bij ondubbelzinnige toezeggingen door een bevoegd orgaan, wat hier niet het geval was. De administratieve omissie die tot de lagere aflossing leidde, rechtvaardigt geen gerechtvaardigde verwachting.
Omdat appellant het nieuwe aflossingsbedrag niet inhoudelijk betwistte, is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het aflossingsbedrag van € 675,81 per maand wordt bevestigd.