ECLI:NL:CRVB:2012:BW7853
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel bij wijziging verrekening inkomsten uit arbeid in WAO-uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering over de periode september tot november 2009 te verlagen vanwege inkomsten uit arbeid, waarbij het UWV de inkomsten op maandbasis verrekende in plaats van het eerder gehanteerde halfjaarlijkse gemiddelde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het beroep op het vertrouwensbeginsel af, omdat de afspraak met de arbeidskundige was gebaseerd op een achterhaald uitgangspunt.
In hoger beroep stelde appellant dat de afspraak met de arbeidskundige na 1 maart 2007 was gemaakt en dat het UWV tot november 2009 zijn inkomsten per halfjaar in aanmerking nam. Het UWV kwam echter onaangekondigd terug op deze afspraak. De Raad stelde vast dat de arbeidskundige inderdaad had meegedeeld dat de inkomsten op basis van een halfjaarlijks gemiddelde zouden worden meegenomen en dat dit ook in de praktijk was uitgevoerd.
De kernvraag was of appellant erop mocht vertrouwen dat de inkomsten van september en oktober 2009 niet tot verrekening zouden leiden. De Raad oordeelde dat het vertrouwensbeginsel alleen geldt bij uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen. Aangezien appellant in 2008 telefonisch contact had met een andere arbeidskundige en had moeten begrijpen dat er problemen waren met de verrekening, kon hij niet langer op ongewijzigde voortzetting vertrouwen. Het ontbreken van schriftelijke bevestiging deed hieraan niet af.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de maandelijkse verrekening toepast en wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af.