ECLI:NL:CRVB:2014:2739
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- M. Greebe
- J.J.T. van de Corput
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor werk bevestigd
Appellant was sinds juni 1995 arbeidsongeschikt door een auto-ongeluk en ontving een WAO-uitkering tot november 2007. Na hervatting van lichte werkzaamheden viel hij in december 2010 opnieuw uit wegens neurologische klachten. Het UWV beëindigde zijn Ziektewetuitkering per 31 oktober 2011 omdat hij volgens medische rapporten geschikt was voor werk.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zijn medische situatie onvoldoende was meegewogen, met name de frequentie van epileptische aanvallen en mogelijke TIA’s. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de conclusie dat appellant geschikt was voor lichte arbeid kon worden gedragen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat niet alle medische informatie voldoende was meegewogen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het UWV-onderzoek zorgvuldig en volledig was, waarbij ook de nieuwe medische stukken door de bezwaarverzekeringsarts waren beoordeeld. De Raad concludeerde dat appellant geen nieuwe medische informatie had overgelegd die zijn ongeschiktheid op de datum in geding aantoonde.
Daarmee werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geschikt is voor lichte arbeid en zijn Ziektewetuitkering terecht is beëindigd.