ECLI:NL:CRVB:2014:2748

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 augustus 2014
Publicatiedatum
15 augustus 2014
Zaaknummer
12-5422 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek

Appellant, werkzaam als hovenier, viel uit wegens rug- en psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant niet arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA en wees een uitkering af. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze beslissing, stellende dat zijn psychische klachten zwaarder wegen dan erkend.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Appellant herhaalde zijn bezwaren in hoger beroep, met name dat het advies van Argonaut niet was betrokken en dat zijn beperkingen groter zijn.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest, inclusief aandacht voor psychische klachten en het betrekken van het psychiatrisch rapport. Het advies van Argonaut is niet in het dossier opgenomen en kan daarom niet worden meegewogen. Er is geen aanleiding om de functies die aan de beoordeling ten grondslag liggen als ongeschikt te beschouwen.

De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen grond voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering, hoger beroep afgewezen.

Uitspraak

12/5422 WIA
Datum uitspraak: 15 augustus 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
5 september 2012, 12/2922 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.C. Blok, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2014. Namens appellant is mr. Blok verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M.Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als hovenier voor 36 uur per week en is op
17 augustus 2009 uitgevallen met rug- en psychische klachten.
1.2. Bij besluit van 29 juli 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 15 augustus 2011 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat appellant niet als arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd.
1.3. Bij beslissing op bezwaar van 23 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juli 2011 ongegrond verklaard. Dit bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant met ingang van 15 augustus 2011 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35%.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch en arbeidskundig onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en het Uwv heeft kunnen concluderen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 35% is. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv nog toegelicht dat het lage arbeidsongeschiktheidspercentage voortvloeit uit het lage maatmanloon van appellant.
3.
Appellant heeft in hoger beroep zijn eerdere in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald. Met name vanwege psychische klachten is hij niet in staat tot het vervullen van de geduide functies. Appellant is onveranderd van mening dat het Uwv onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de ruim aangemerkte beperkingen niet tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage hebben geleid. Voorts is appellant van mening dat bij de beoordeling rekening moet worden gehouden met het advies van Argonaut van
23 maart 2012, omdat daaruit blijkt dat hij verdergaand beperkt is.
4.
De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De rechtbank heeft met juistheid en op goede gronden geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen is gebleken dat aan de psychische klachten van appellant ruimschoots aandacht is besteed en dat deze de informatie van de behandelend psychiater van appellant hebben meegewogen bij het vaststellen van de beperkingen met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren. In hoger beroep is niet gebleken van objectief-medische aanknopingspunten voor het oordeel dat dit op onjuiste of onvoldoende wijze is gebeurd. Evenmin bestaan dergelijke aanknopingspunten ten aanzien van de beperkingen van appellant op het fysieke vlak. De stelling van appellant dat verzuimd is het advies van Argonaut van
23 maart 2012 in de beoordeling te betrekken, moet worden verworpen, alleen al omdat dit rapport in deze procedure niet is overgelegd en zich niet in het dossier bevindt. Het Uwv heeft voorts afdoende toegelicht dat uit de ruim aangemerkte beperkingen toch een gering percentage arbeidsongeschiktheid voortkomt.
4.2.
Er aldus van uitgaande dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, in medisch opzicht niet passend zouden zijn voor appellant. Appellant heeft zijn stellingen daarover ook in hoger beroep niet met concrete gegevens onderbouwd.
5.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2014.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) M.P. Ketting

RK