ECLI:NL:CRVB:2014:2789

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juli 2014
Publicatiedatum
19 augustus 2014
Zaaknummer
14-3105 WIA-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in WIA-uitkeringszaak

Verzoeker heeft een WIA-uitkering aangevraagd die door het UWV is geweigerd omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van verzoeker gegrond en vernietigde het besluit, maar hield de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.

Verzoeker ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en vroeg tevens om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat hij in een financiële noodsituatie verkeerde omdat zijn recht op een WW-uitkering was geëindigd en hij aangewezen was op een bijstandsuitkering, waardoor hij bij zijn ouders moest intrekken.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat uit de stukken en de zitting niet bleek dat verzoeker niet in zijn levensonderhoud kan voorzien zolang de procedure loopt. Er was geen sprake van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigde. Ook was er geen ander zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet kon worden afgewacht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

14/3105 WIA-VV
Datum uitspraak: 30 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Zitting heeft: B.M. van Dun
Griffier: M. Crum
Ter zitting zijn verschenen: verzoeker, bijgestaan door H.A. Roeterdink, en het Uwv, vertegenwoordigd door mr. M.W.A. Blind.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Bij besluit van 13 februari 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor verzoeker met ingang van
7 augustus 2012 geen recht op een Wet WIA-uitkering is ontstaan, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 13 juni 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank Midden-Nederland heeft bij uitspraak van 27 maart 2014 het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen deze uitspraak gekeerd en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.
Ingevolge de artikelen 8:81, 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Door verzoeker is aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat hij in een financiële noodsituatie dreigt te raken. Per
7 juli 2014 is het recht van verzoeker op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet geëindigd en is hij aangewezen op een bijstandsuitkering. Verzoeker ziet zich dan genoodzaakt bij zijn ouders in te trekken.
In wat namens verzoeker is aangevoerd, is onvoldoende grond aanwezig voor het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening vordert. Uit de gedingstukken noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet in staat zal zijn te voorzien in zijn levensonderhoud zolang de procedure bij de Raad loopt. Anders dan door verzoeker is betoogd, is van een financiële noodsituatie dan ook geen sprake. Ook op andere wijze is niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) M. Crum (getekend) B.M. van Dun

TM