ECLI:NL:CRVB:2014:280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel niet strijdig met internationaal recht
Appellante, geboren in 1985 in Sierra Leone, heeft sinds 2001 in Nederland gewoond en een zoon met een psychische stoornis. Na het verlopen van haar asielverblijfsvergunning in 2006, heeft zij diverse procedures gevoerd voor een verblijfsvergunning. Pas in 2013 werd haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees haar aanvraag voor kinderbijslag in 2011 af vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad waarin vergelijkbare uitspraken werden bevestigd. In hoger beroep voerde appellante aan dat de weigering in strijd was met internationale verdragen zoals het IVRK, IVBPR en het EVRM, en verzocht om aanhouding van de procedure in afwachting van een uitspraak van het VN-Mensenrechtencomité.
De Raad oordeelde dat aanhouding niet opportuun was gezien de onzekere termijn en mogelijke gevolgen. De Raad bevestigde dat op grond van het nationale en internationale recht geen recht op kinderbijslag bestaat zonder verblijfstitel zoals bedoeld in artikel 6 lid 2 AKW Pro. Er waren geen schrijnende omstandigheden die toepassing van het koppelingsbeginsel buiten toepassing zouden moeten laten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel.