ECLI:NL:CRVB:2014:281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel volgens AKW
Betrokkene, geboren in Ghana en sinds 2001 in Nederland verblijvend zonder verblijfsvergunning, verzocht om kinderbijslag voor haar twee kinderen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af op grond van het ontbreken van een verblijfstitel, zoals vereist in artikel 6 lid 2 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Betrokkene maakte bezwaar, maar dit werd door de Svb gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij zich baseerde op eerdere uitspraken van de Raad.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze lijn. De Raad verwees naar een arrest van de Hoge Raad waarin werd geoordeeld dat het onderscheid in artikel 6 lid 2 AKW Pro naar nationaliteit en verblijfsstatus een legitiem doel dient en proportioneel is. Ook werd overwogen dat het belang van het kind, zoals verwoord in internationale verdragen, niet leidt tot een andere uitkomst.
Betrokkene verzocht om aanhouding van de procedure in afwachting van een uitspraak van het VN-Mensenrechtencomité, maar de Raad zag hiervoor geen aanleiding. De Raad concludeerde dat het koppelingsbeginsel onverkort van toepassing is en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep van de Svb behoeft geen verdere behandeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een verblijfstitel.