ECLI:NL:CRVB:2014:2830
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant diende op 5 maart 2012 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), met opgave dat hij woonde op een adres te Dordrecht. Na een gesprek en huisbezoek concludeerde het bestuur dat appellant onjuiste informatie had verstrekt over zijn verblijfplaats, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het bestuur wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellant voerde aan dat het primaire besluit onterecht was gewijzigd bij bezwaar en dat hij wel degelijk woonde op het opgegeven adres. Ook stelde hij dat het onderzoek onvoldoende was, onder meer omdat de slaapkamer van zijn neef niet was betrokken bij het huisbezoek.
De Raad oordeelde dat de wijziging van de grondslag in bezwaar geen procesbelangsschade opleverde omdat appellant de gelegenheid had gehad zijn bezwaren te uiten. Verder vond de Raad dat de bevindingen tijdens het huisbezoek niet overeenkwamen met de verklaringen van appellant, en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Het onderzoek was zorgvuldig en het besluit voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.