ECLI:NL:CRVB:2007:BA3179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending inlichtingenverplichting en hoorrecht
Appellant had sinds 4 september 2003 bijstand ontvangen, maar deze werd ingetrokken per 11 maart 2004. Op 15 maart 2005 vroeg appellant opnieuw bijstand aan, welke het College van burgemeester en wethouders van Heerlen op 7 juni 2005 afwees omdat appellant niet woonachtig zou zijn op het opgegeven adres. Na bezwaar handhaafde het College de afwijzing op 7 november 2005, stellende dat appellant onvoldoende duidelijkheid had verschaft over zijn levensonderhoud sinds de intrekking van de bijstand en dat hij ten onrechte niet was gehoord.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde vast dat appellant ten onrechte niet is gehoord naar aanleiding van zijn bezwaar, omdat het College onterecht afzag van het horen ondanks dat appellant dit wenste. Hierdoor werd het besluit van 7 november 2005 vernietigd wegens strijd met artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad bevestigde dat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenplicht omdat hij onvoldoende objectief bewijs leverde over zijn levensonderhoud, zoals onduidelijke schuldverklaringen en niet-verifieerbare casinowinst. Desondanks liet de Raad de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten en werd appellant het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd wegens schending van het hoorrecht, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.