ECLI:NL:CRVB:2014:2903
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- M. Hillen
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht en gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1996 bijstand en meldde in 2007 dat een derde tijdelijk bij haar woonde. Na een themacontrole in 2010 bleek dat appellante meerdere bankrekeningen niet had opgegeven en dat er betalingen en kasstortingen waren die niet waren gemeld. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenplicht en het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk, maar vernietigde het besluit over bepaalde perioden en bepaalde dat het college een nieuw besluit moest nemen. Het college herzag het besluit en beperkte de intrekking en terugvordering tot specifieke perioden.
De Raad oordeelt dat appellante en de derde persoon een gezamenlijke huishouding voerden, gebaseerd op objectieve criteria en verklaringen die ondanks psychische aandoeningen van partijen betrouwbaar worden geacht. De herziening van de bijstand en terugvordering is terecht, aangezien appellante onvoldoende concrete bezwaren tegen de berekeningen heeft aangevoerd.
Appellante voerde aan dat er dringende redenen waren om terugvordering te matigen vanwege haar psychische gesteldheid, maar de Raad volgt de vaste jurisprudentie dat dergelijke redenen slechts in uitzonderlijke gevallen gelden en concludeert dat die hier ontbreken. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.