ECLI:NL:CRVB:2014:2969
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- M. Hillen
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet ten laste komend kind
Appellante ontving bijstand als alleenstaande en woonde samen met haar zoon. Het college herzag haar bijstand over de periode 1 augustus 2011 tot 30 juni 2012 en vorderde een bedrag terug, omdat de zoon zelfstandig aanspraak kon maken op bijstand en zij de woonkosten met hem kon delen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de zoon geen studiefinanciering ontving en dat appellante geacht kon worden de woonkosten met hem te delen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de terugvordering beperkt moest worden vanwege de studiefinanciering die haar zoon ontving en dat haar chronische ziekte en zorgbehoefte niet waren meegewogen.
De Raad oordeelde dat de zoon geen ten laste komend kind was omdat hij geen studiefinanciering ontving en dat het college bevoegd was de toeslag te verlagen tot 5% van het nettominimumloon. De medische situatie van appellante gaf geen aanleiding tot afwijking van deze regeling. Ook was het college niet onzorgvuldig geweest door herziening en terugvordering toe te passen in plaats van een beslissing op de gezinsbijstandaanvraag.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens het ontbreken van een ten laste komend kind.