Appellanten ontvingen vanaf 1991 bijstand, vanaf 2004 als aanvulling op een onvolledig pensioen en later als aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). In 2010 meldde hun zoon een auto-ongeluk in Marokko, waarna onderzoek door sociale recherche en het Internationaal Bureau Fraude Informatie (IBF) plaatsvond naar bezit van onroerende zaken in Marokko. Uit onderzoek van de Nederlandse ambassade bleek dat appellant mede-eigenaar is van een woning in Marokko, getaxeerd op €86.130.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok de bijstand en AIO-aanvullingen met ingang van 1 juli 2004 in en vorderde €38.762,93 terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Raad bevestigt dit in hoger beroep. Appellanten betwisten mede-eigendom, maar verklaringen van hen en hun dochter, samen met onderzoeksverslagen, bieden voldoende grondslag voor mede-eigendom.
De Raad oordeelt dat appellanten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen eigenaar zijn en onvoldoende informatie over hun aandeel in de woning hebben verstrekt. Hierdoor kon het vermogen niet worden vastgesteld en het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De intrekking en terugvordering zijn daarom terecht. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.