ECLI:NL:CRVB:2014:3021
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij AOW-toeslag
Appellant, geboren in 1933, ontvangt sinds 1998 een AOW-pensioen voor een gehuwde. In 1998 werd geen toeslag toegekend voor zijn partner vanwege diens hogere uitkering. In 2011 kende de Sociale Verzekeringsbank (Svb) alsnog een toeslag toe vanaf november 2005, gebaseerd op een eerdere uitspraak van de Raad uit 2000.
Appellant verzocht vervolgens om toeslagbetaling over de periode oktober 1998 tot november 2005, wat door de Svb werd aangemerkt als bezwaar en verzoek tot herziening. De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en wees het verzoek tot herziening af wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of omstandigheden.
De rechtbank bevestigde deze besluiten, waarna appellant in hoger beroep stelde dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding vanwege taalproblemen en onzorgvuldig handelen door de Svb. Tevens stelde appellant een schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM.
De Raad oordeelde dat appellant tevreden was met het eerdere besluit en geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding had aangetoond. Ook waren de aangevoerde argumenten geen nieuw gebleken feiten. De schending van het EVRM-artikel werd niet als nieuw feit beschouwd. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken en wees de beroepen af.
Uitkomst: Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding en het verzoek tot herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten.