ECLI:NL:CRVB:2014:3156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- J.F. Bandringa
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Toekenning ouderdomspensioen bij gezamenlijke huishouding ondanks commerciële elementen
Betrokkene had na het overlijden van haar partner een nabestaandenuitkering aangevraagd en later een ouderdomspensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde na onderzoek vast dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voerde met een andere persoon die op hetzelfde adres woonde, en kende haar het pensioen toe als gehuwd of samenwonend persoon. Betrokkene betwistte dit en stelde dat sprake was van een zuiver zakelijke kostgangersrelatie.
De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat er geen gezamenlijke huishouding was en kende betrokkene het pensioen toe als ongehuwde. De Raad voor de Rechtspraak, in hoger beroep, stelde vast dat betrokkene en de andere persoon wel degelijk zorg voor elkaar droegen, zoals gezamenlijk eten, wassen, boodschappen doen, en financiële verstrengeling die verder gaat dan het delen van woonlasten. Het enkele bestaan van een huurcontract en betaling van een commerciële prijs maakte volgens de Raad niet dat er geen gezamenlijke huishouding was.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de Svb ongegrond. Hiermee werd bevestigd dat betrokkene vanaf 12 maart 2012 een gezamenlijke huishouding voert en recht heeft op het ouderdomspensioen voor gehuwden of samenwonenden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de Sociale verzekeringsbank wordt ongegrond verklaard en betrokkene krijgt het ouderdomspensioen toegekend als gehuwd of samenwonend.